Cinematografische spiegel van het verleden. Debatten over de waarde van de historische film

Het is steeds moeilijker voor historici om de door hun onderzoek vergaarde inzichten bij het brede publiek onder de aandacht te brengen. Tegelijkertijd blijft de aantrekkingskracht van historische films dominant. De belangrijkste bron over het verleden voor de gemiddelde mens zijn visuele media, zo stelt Robert A. Rosenstone.[1] Het is daarom niet meer dan logisch dat historici ook aandacht besteden aan historische films en de wijze waarop deze het verleden representeren. Wat zijn de beperkingen en mogelijkheden van de film als geschiedschrijving?

In 2009 publiceerde geschiedfilosoof Marnie Hughes-Warrington als redacteur The History on Film Reader, een historiografisch overzicht van het wetenschappelijke debat over de historische film van de afgelopen dertig jaar. Hughes-Warrington wil het debat concentreren op de mogelijkheid films als historisch middel in te zetten. Tegelijkertijd stelt ze ook voor te reflecteren op de huidige historische methode die schrift privilegieert over visueel materiaal.[2] In dit essay zal ik een schets maken van het debat onder historici over de waarde van de historische film. Dit zal ik doen aan de hand van de artikelen van visueel historicus Robert A. Rosenstone, filmcriticus en historicus Pierre Sorlin, historicus van de Oudheid Lloyd Llewellyn-Jones en genderhistoricus Martha Driver.

De historiografie omtrent historische films heeft zich lange tijd beperkt tot het bekritiseren van de wijze waarop films het verleden reconstrueren. Volgens Hughes-Warrington wordt film als medium doorgaans als inferieur gezien ten opzichte van geschreven geschiedenis omdat historische films niet voldoen aan de standaard voor wetenschappelijk onderzoek. Rosenstone gaat hier verder op in aan de hand de verfilming van zijn boek over John Reed: Reds (1981). Volgens hem voldoet Reds niet aan de eisen omtrent feitelijkheid en falsificatie die aan historisch onderzoek gesteld worden. De dynamische historische werkelijkheid wordt in een lineair verhaal gegoten, waarmee volgens Rosenstone alle nuance verdwijnt. Door het ontbreken van voetnoten en dwarsverwijzingen is een film in tegenstelling tot geschreven geschiedenis bovendien niet falsificeerbaar.[3] Om deze reden publiceerde historicus Natalie Zemon Davis na haar bijdrage aan de film Le retour de Martin Guerre (1982) een geschreven historische studie over haar onderzoek.[4]

Ook Llewellyn-Jones reflecteert op de beperkingen van het medium aan de hand van persoonlijke ervaring met een filmproductie. Llewellyn-Jones stelt dat, ondanks het respect voor de historische werkelijkheid van regisseur Oliver Stone en het grote oog voor detail van het production design, de film Alexander (2004) een zeer ahistorisch beeld schetst van de historische werkelijkheid. De film bevestigd de stereotype opvattingen over de tegenstelling tussen Oost en West die Edward Said als Oriëntalisme heeft aanduid. Volgens Llewellyn-Jones is de oorzaak hiervan de mis-en-scène en het feit dat een film vanuit een modern perspectief is geschreven.[5]

Dit laat zien dat het geen zin heeft als historici zich beperken tot het bekritiseren van de historische accuraatheid van films, zoals Pierre Sorlin betoogd.[6] Volgens Hughes-Warrington wijzen historici voornamelijk op gebreken van historische films. De laatste dertig jaar zijn er echter steeds meer historici die theoretiseren over de eigen waarde van film en de complementariteit tussen film en geschreven geschiedenis.[7] Zo pleit Sorlin ervoor om een film als fictie in zijn eigen waarde te laten en de interactie te onderzoeken tussen historische films en de geschiedenis. Een film is volgens Sorlin namelijk een indicator van het historische perspectief van een samenleving. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar welke informatie vanzelfsprekend wordt geacht, wat voor perspectief er geboden wordt en wat dat ons zegt over de perceptie van het verleden.[8] Dat sluit aan bij Llewellyn-Jones’ ondervinding dat een film historisch is omdat het een product is van zijn eigen tijd door de invloed van moderne (esthetische) voorkeuren.[9]

Ook Martha Driver wil film in zijn eigen waarde analyseren. Zij pleit er zelfs voor om films een centrale plaats te geven in historisch onderwijs. Als, zoals Sorlin betoogd, een film als werk van fictie wordt gezien kan het – juist door de historische onjuistheden – ons iets leren over perceptie van het verleden. Bovendien hoeft een film volgens Driver geen accuraat beeld te schetsen van de historische werkelijkheid om ons iets te leren over die historische werkelijkheid. Driver noemt hierbij als voorbeeld Eric Rohmer’s Perceval le Gallois (1978). Rohmer pretendeert niet het historische verleden te representeren in zijn film, maar de visie op dit verleden zoals beschreven in Chrétien de Troyes’ twaalfde-eeuwse geschriften. Rohmer’s film kan ons dus iets leren over ‘the Medieval period as it saw itself’.[10]

De beperkingen van film als medium die eerder zijn besproken door Rosenstone en Llewellyn-Jones hoeven sinds de introductie van de DVD volgens Driver geen probleem meer te zijn. De technologie van de DVD (en meer recent Blu-ray of streaming) maakt het namelijk wel degelijk mogelijk om dwarsverwijzingen en voetnoten in een film te gebruiken. Ook ontkracht Driver het bezwaar dat films per definitie minder accuraat zijn dan geschreven geschiedenis omdat er altijd sprake zou moeten zijn van een simplistisch lineair verhaal. Zij verwijst naar Benjamin Christensen’s Häxan (1922), een film die niet narratief of reconstructie maar historisch inzicht centraal stelt. De korte documentaires over het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de film, die zijn opgenomen op de DVD-uitgave van Criterion, zouden gezien kunnen worden als audiovisuele voetnoten.[11]

Concluderend kunnen we stellen dat de historiografie zich heeft ontwikkeld van films bekritiseren en het onder de aandacht brengen van beperkingen van film als medium, naar theoretisering over de rol van film in de geschiedschrijving. Waar film lang werd gespiegeld aan geschreven geschiedenis komt er steeds meer aandacht voor de geheel eigen waarde die films voor historici kunnen hebben. Wanneer we ons als historici enkel richten op geschreven geschiedschrijving miskennen we het feit dat film voor de meerderheid van de mensen een belangrijke bron over het verleden is. Een film is dus niet alleen spiegel van een (fictief) verleden, maar ook een spiegel van het referentiekader van de tijd en cultuur waarin zij geproduceerd is. Grotere aandacht voor film en het actief inzetten van film als medium zou wellicht een mogelijkheid kunnen zijn om het algemeen publiek te overtuigen van de toegevoegde waarde van de geschiedwetenschap.

Bibliografie

Driver, M., ‘Teaching the Middle Ages on Film: Visual Narrative and the Historical Record’, History Compass, 5 (2007), 159-171.

Hughes-Warrington, M., ‘Introducing historical film’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 1-8.

Hughes-Warrington, M., ‘Introduction: history on film: theory, production, reception’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 13-14.

Llewellyn-Jones, L., ‘”Help me, Aphrodite!” Depicting the royal women of Persia in Alexander’,  in: P. Cartledge, F.R. Greenland en O. Stone (red.) Responses to Oliver Stone’s Alexander: Film, History, and Cultural Studies (Madison, 2010), 243-251.

Sorlin, P., ‘The film in history’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 15-16.

Rosenstone, R.A., ‘History in images/history in words’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 30-40.

[1] Robert A. Rosenstone, ‘History in images/history in words’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 30-32, 39-40.

[2] Marnie Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film: theory, production, reception’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 1-8.

[3] Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film’; Rosenstone, ‘History in images/history in words’.

[4] Martha Driver, ‘Teaching the Middle Ages on Film: Visual Narrative and the Historical Record’, History Compass 5 (2007), 159-171.

[5] Lloyd Llewellyn-Jones, ‘”Help me, Aphrodite!” Depicting the royal women of Persia in Alexander’,  in: P. Cartledge, F.R. Greenland en O. Stone (red.) Responses to Oliver Stone’s Alexander: Film, History, and Cultural Studies (Madison, 2010), 243-251.

[6] Pierre Sorlin, ‘The film in history’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 15-16.

[7] Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film’.

[8] Pierre Sorlin, ‘The film in history’.

[9] Lloyd Llewellyn-Jones, ‘”Help me, Aphrodite!”.

[10] Martha Driver, ‘Teaching the Middle Ages on Film’.

[11] Ibidem.

Zaaien op onvruchtbare grond? Sporen van het boerenleven van de late Middeleeuwen

Onderzoek naar het boerenleven van de late middeleeuwen lijkt onbegonnen werk. Niet alleen zijn bronnen bijzonder schaars, de beschikbare bronnen bevatten vaak ook geen getrouwe weergave van het boerenleven.[1] Ik betoog dat historici het best met deze problemen om kunnen gaan door altijd meerdere bronnen te gebruiken en verschillende typen bronnen elkaar te laten aanvullen.

Representaties van het boerenleven zijn terug te vinden in middeleeuwse literatuur en afbeeldingen uit verluchte manuscripten, altaarstukken en houtgravures. Het probleem van deze bronnen is dat ze door de elite en – met uitzondering van sommige altaarstukken – uitsluitend voor de elite zijn vervaardigd. Het doel was bovendien niet om een getrouwe weergave te geven van het boerenleven. Zo werden boeren bijvoorbeeld vaak gebruikt als positief of negatief voorbeeld en zodoende zeggen de bronnen weinig over echte boeren. De gekleurdheid van deze bronnen betekent echter niet dat ze volstrekt nutteloos worden. Een satirische representatie of karikatuur moest namelijk wel herkenbaar zijn, zodat de lezer of aanschouwer begreep dat het om een boer ging.[2]

Een voorbeeld uit de Lage Landen is het beroemde getijdenboek Les Très Riches Heures du duc de Berry van de Gebroeders Van Lymborch. Boeren werden hier gebruikt als karikatuur en om te spiegelen met de rijkdom aan het hof.[3] Het getijdenboek geeft echter wel inzicht welke werkzaamheden boeren in een bepaald seizoen verrichtten. In combinatie met archeologische vondsten en normatieve bronnen kan het getijdenboek ook een bron zijn voor respectievelijk de werktuigen en de kleding van boeren in deze periode.[4]

De Gebroeders van Lymborch, Les Très Riches Heures du duc de Berry,  Maart.

Bij het gebruik van economische gegevens lopen historici ook tegen problemen aan. De meeste gegevens gaan namelijk over heerlijke landerijen en kloosterdomeinen en niet over de opbrengsten van vrije boeren en gemeenschappelijke gronden. Ben Dodds heeft getracht dit probleem op te lossen door tiendenregisters (waar de volledige opbrengst in is opgenomen) te vergelijken met opbrengsten van heerlijke landerijen. Dit deed hij voor meerdere plaatsen in Zuid-Engeland, om zo betrouwbare conclusies te kunnen trekken.[5]

Archeologie vormt op veel van deze problemen een uitzondering en geeft ons betrouwbare informatie over bijvoorbeeld werktuigen en woningen. Archeologie heeft echter beperkingen. Vondsten bevatten namelijk alleen informatie over een beperkt gebied en op basis van vondsten alleen is ook weinig te zeggen over de toepassing.[6] Archeoloog Antoinette Huibers maakte een reconstructie van het twaalfde-eeuwse boerenerf in het huidige Noord-Brabant. Hiervoor bracht zij opgravingen van vierenvijftig compleet teruggevonden archeologische boerenerven in de regio in verband met studies over sociologie, antropologie en historische huisbouw. Daarmee heeft zij aannemelijk kunnen maken dat het boerenerf was opgedeeld in een apart deel voor mannelijk en voor vrouwelijk werk.[7]

Bronnen zoals literatuur, kunst, wetgeving en economische gegevens bevatten op zichzelf dus weinig betrouwbare informatie over het leven van gewone boeren. Ook archeologie op zichzelf brengt beperkingen in interpretatie met zich mee. Enkel wanneer meerdere bronnen met elkaar in verband worden gebracht, kan een historicus betrouwbare inzichten verkrijgen over het leven van boeren in de late middeleeuwen. Op die manier kan het probleem van schaarse, onbetrouwbare of ontoereikende bronnen het best worden overkomen.

 

Literatuurlijst

Alexander, J., ‘Labeur and Paresse. Ideological Representations of Medieval Peasant Labor’, The Art Bulletin 72:3 (1990) 436-452.

Dodds, B., ‘Demesne and Tithe. Peasant Agriculture in the Late Middle Ages’, The Agricultural History Review 56:2 (2008) 123-41.

Huijbers, A.M.J.H., Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied (Amsterdam 2007).

Jaritz, G., ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages. “Image” and “Reality”’, in: D. Sweeny red., Agriculture in the Middle Ages. Technology, practice and representation (Philadelphia 1995) 163-85.

 

[1] Gerhard Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages: “Image” and “Reality”’, in: Del Sweeny (red.), Agriculture in the Middle Ages: Technology, practice and representation (Philadelphia 1995) 163-85.

[2] Ibidem.

[3] Jonathan Alexander, ‘Labeur and Paresse. Ideological Representations of Medieval Peasant Labor’, The Art Bulletin 72:3 (1990) 436-452.

[4] Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages’.

[5] Ben Dodds, ‘Demesne and Tithe. Peasant Agriculture in the Late Middle Ages’, The Agricultural History Review 56:2 (2008) 123-41.

[6] Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages’.

[7] Antoinette Huijbers, Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied (Amsterdam 2007).