Het sublieme en het vulgaire: de Hallé concerten van Manchester

In zijn artikel The Sublime and the Vulgar bespreekt Simon Gunn de invloed van klassieke concerten op de opkomst van burgerlijke cultuur. Voorheen is hier nog geen onderzoek naar gedaan omdat muziek los van debatten over burgerlijke cultuur werd behandeld in muziekgeschiedenis. Als casus gebruikt Gunn de door dirigent Charles Hallé opgezette concerten in Manchester vanaf 1850. Op basis van eigentijdse kranten en eerdere onderzoeken van vooraanstaande cultuurhistorici trekt Gunn uiteindelijk de conclusie dat de Hallé concerten hebben geleid tot een bepaalde gedragscode onder de middenklasse en een leer van esthetiek en moraal waarbij een zeer duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen hoge en lage cultuur. Klassieke muziek was een essentieel onderdeel van de burgerlijke cultuur geworden en de concerten een belangrijke gelegenheid om status te kunnen tonen en te socialiseren.

Charles Hallé

Voordat Hallé’s concerten waren geïntroduceerd werden klassieke en populaire muziek door elkaar heen gespeeld in concertzalen en was er een sterke scheiding tussen de volkse Music Hall en elitaire muziekclubs waar je een abonnement voor nodig had. Hallé zou daar, gemotiveerd door een liberaal vrije markt ideaal, commercieel opportunisme en het doel om het publiek  ‘muzikaal op te voeden’, verandering in gaan brengen, betoogt Gunn. Om dit te bewerkstelligen professionaliseerde Hallé het orkest en opende hij de verkoop van kaartjes tegen een lage vaste prijs, waardoor de concerten toegankelijk werden voor een breed publiek.

De concerten waren echter nog steeds voornamelijk een aangelegenheid voor de midden klasse en de elite. Gunn verklaard dit door stijgende prijzen, een beperkt aantal goedkope zitplaatsen en het feit dat de concerthal winst maakte op seizoenkaarten. Voor de midden klasse en de elite werden concerten een gelegenheid om zichzelf te profileren. Dit gebeurde volgens Gunn doormiddel van de gedifferentieerde zitplaatsen en de kleding waarmee een verschil in sociale status zichtbaar werd. Naast etiquette over zitplaatsen en kleding waren er ook normen voor het gedrag van de bezoekers. Zo was stilte tijdens concerten een vereiste voor de eerbiedwaardigheid als publiek en de eerbied tegenover muziek als kunstvorm.

Volgens Gunn was de stilte-etiquette slechts een onderdeel van Hallé’s grotere doel om het publiek het verschil tussen klassieke en populaire muziek bij te brengen. Orkestrale werken zoals die van Beethoven en de Duitse school werden gezien als hoge kunst. Concerten met diverse muziekstukken, waaronder ballades, bleven echter nog enige tijd voorkomen. Naast het formeren van een repertoire van klassieke muziek ontstond er ook een neoromantische muzikale esthetiek. Echte muziek moest als kunst worden gezien en emoties overbrengen, waarmee het zich onderscheidde van de populaire ‘achtergrondmuziek’. Muziekcritici speelde volgens Gunn een belangrijke rol bij het verspreiden van visies op esthetiek. Het gevolg was dat populaire muziek steeds meer als inferieur en vulgair werd gezien en er een grote distinctie tussen de lage cultuur van de volkse Music Hall en de hoge cultuur van Concert Hall ontstond.

Tot slot maakt Gunn nog enkele kanttekeningen. Zo was er altijd al een distinctie tussen hoge en lage cultuur, alleen nu met scherpere esthetische en morele classificatie. Gunn gaat in tegen Richard Sennet’s theorie dat de stilte-etiquette een teken was van onzekerheid van de elite tegenover de kunstenaar. Hij sluit zich aan bij James Johnson en gebruikt de casus van Manchester als voorbeeld van de elite die de concertgebouwen gebruikt om zichzelf met etiquette en eerbiedwaardigheid te onderscheiden. Met als gevolg conformiteit en sociale ongelijkheid. Klassieke concerten ontwikkelde echter niet geïsoleerd maar in een breder kader van stedelijke cultuur, betoogt Gunn. Omdat de concerten van Hallé in Manchester een plaats waren om burgerlijke trots uit te dragen werden zij volgens Gunn een essentieel onderdeel van de hoge cultuur van de burgerij.

Bronnen

Gunn, S., ‘The Sublime and the Vulgar: the Hallé concerts and the constitution of ‘high culture’ in Manchester c. 1850-1880’, Journal of Victorian Culture 2:2 (1997) 208-228.

Bronnen over het leven van de profeet Mohammed

De levens van de stichters van de wereldreligies blijven voor historici vaak een mysterie. We weten echter wel meer over het leven van Mohammed dan over dat van Jezus Christus. Onder het merendeel van de historici bestaat er geen twijfel dat de profeet Mohammed daadwerkelijk geleefd heeft. Bewijs hiervoor is een Griekse tekst uit de vroege zevende eeuw waarin werd gesproken over een valse profeet onder de Saracenen. Toch blijft het erg moeilijk voor historici om met zekerheid wat over het leven van Mohammed te zeggen. De oorzaak daarvan zijn de bronnen die we tot onze beschikking hebben.[1]

Rashid-al-Din Hamadani, Mohammed en de Engel Gabriël in Jami’ al-tawarikh (1307).

De eerste islamitische literatuur over Mohammed komt uit de late achtste eeuw. Ruim vijf generaties na zijn dood omstreeks 632. Ook munten en inscripties vermelden de profeet pas vanaf vijftig jaar na zijn dood. Zijn boodschap en de verhalen over zijn leven werden in de vorm van orale overlevering doorgegeven. Hoewel het verloop van de overlevering vrij goed is gedocumenteerd verandert de inhoud van zulke overleveringen makkelijk door veranderende omstandigheden.[2] Bovendien heeft er bij het verzamelen en opschrijven van de orale verhalen ook redactie en selectie plaatsgevonden.[3]

De Koran geeft ons weinig informatie over het leven van de profeet. Uitspraken van Mohammed worden beschreven, maar de context waarin deze zijn gedaan ontbreekt. Het taalgebruik is daarnaast vaak obscuur en vaag.[4] Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken van ‘de gelovigen’ en ‘de verdorvenen’ zonder dat duidelijk is naar wie deze termen verwijzen.[5]

Een groot probleem met de islamitische teksten is dat ze zijn geschreven met een bepaald doel voor ogen. Zo is het doel van de uitspraken en daden van Mohammed in de Hadith het legitimeren van islamitische wetten en doctrines. Dit is ook van toepassing op de overleveringen van het leven van Mohammed die door vroege islamitische schrijvers zijn verzameld.[6] Het doel van dit soort verhalen is om de interpretatie van bepaalde Koranverzen te verduidelijken. Ibn Ishaak’s verhaal ‘de grote leugen’, waarin Aïsja valselijk wordt beschuldigd van overspel, bied bijvoorbeeld context voor de Koranverzen in soera 24 over de consequenties van laster en overspel.[7] In dit verhaal gebruikt de Soenniet Ishaak bovendien ook de persoon van Ali als een van de lasteraars om het Sjiisme minder legitimiteit te geven.[8]

Tot slot is er weinig bekend over de geografische context van de boodschap van Mohammed. Over het midden van het Arabisch schiereiland is in die tijd niets geschreven door de Perzen of de Byzantijnen. Ook zijn er geen niet-islamitische bronnen over het Mekka van voor de Islamitische verovering. Wat zou kunnen wijzen op een door doctrine gemotiveerde, latere keuze voor Mekka als locatie van de openbaringen van Mohammed.[9]

We weten met zekerheid dat Mohammed geleefd heeft en in grote lijnen ook wat zijn boodschap was, maar we weten vrijwel niets over de context van zijn boodschap met enige zekerheid. De grote afstand in chronologie tussen de beschreven gebeurtenissen en het opschrijven van de verhalen betekent dat we als historici voorzichtig moeten zijn met het trekken van conclusies. Het feit dat alle teksten zijn geschreven met een ander doel dan het feitelijk documenteren van het leven van Mohammed is daarvoor een van de belangrijkste oorzaken.[10]

Bronnen

[1] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’, Open Democracy, (geraadpleegd 23 februari 2019).
[2] Ibidem.
[3] Wim Raven, ‘Biography of the Prophet’, Encyclopedia of Islam, (geraadpleegd 23 februari 2019).
[4] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[5] De Koran: Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands, vert. Fred Leemhuis (Houten 1989) 238-239.
[6] Wim Raven, ‘Biography of the Prophet’.
[7] De Koran, 238-239.
[8] Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven (Amsterdam 2000) 179-186;
Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[9] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[10] Ibidem.