Betoog: Over moraliteit, nationalisme en de Gouden Eeuw-controverse

Schoolplaat van Isings. Het kenmerkende beeld van de Gouden Eeuw.

Graag zou ik in een korte uiteenzetting willen reageren op het artikel van Iñaki Oñorbe Genovesi in de Volkskrant, waarin historicus Geerten Waling reflecteert op de huidige tendensen in de geschiedwetenschap.

Laat ik allereerst beginnen met de kern van het artikel. Ik kan me zeker in de opvatting van de heer Waling vinden dat de geschiedschrijving op dit moment een te activistisch karakter heeft. Geschiedenis met een doel (of nuttige geschiedenis) is per definitie onwetenschappelijk. Als historicus pretendeer je immers vanuit een objectief standpunt onderzoek te doen. In de praktijk is volledige objectiviteit natuurlijk slechts een ideaal, maar zodra het niet meer het streven is gaat het naar mijn mening helemaal fout. Wanneer je – om maar een voorbeeld te noemen – zou willen onderzoeken ‘waarom de witte man altijd al anderen heeft onderdrukt’, heb je voordat je bent begonnen eigenlijk al allerlei conclusies getrokken die niet per se recht doen aan de historische werkelijkheid. Geschiedenis is altijd nuttig als het inzicht oplevert over de historische werkelijkheid, ieder ander doel staat dat in de weg. Er ontstaat namelijk een inconsistentie tussen hoe de verleden werkelijkheid was en wat wij schrijven over het verleden.

Ik zou echter ook enige nuancering aan willen brengen bij het betoog. Met de rode stift door de geschiedenisboeken gaan is namelijk wel degelijk een van de taken van de historicus (al doen we dat welteverstaan niet letterlijk, in tegendeel zelfs: we schrijven *nieuwe* boeken). Het is echter van belang dat de motieven daarvoor juist zijn. Het doel moet zijn om recht te doen aan de complexe historische werkelijkheid, niet de morele zuiverheid van het verleden bij te scherpen. Zo zou ik bijvoorbeeld willen voorstellen om te stoppen met spreken over de “donkere” Middeleeuwen waarin iedereen in de modder zat te wroeten. In plaats daarvan zouden de schoolboeken eens stil mogen staan bij bijvoorbeeld de erfenis van het kloosterleven (zonder welk onze moderne wetenschapsbeoefening niet mogelijk was geweest). Ook mag men van mij rustig de boekjes waarin gesproken wordt over de grenzeloze tolerantie en het poldermodel van de Nederlandse Republiek rustig bij het oud vuil zetten aangezien Katholieken, Joden en bepaalde Protestanten systematisch werden onderdrukt in deze Calvinistische aristocratie en de Tachtigjarige Oorlog onderdeel was van een beweging van religieuze oorlogen (burgeroorlog of vrijheidsstrijd, het is allemaal een kwestie van perspectief).

Wat betreft het Gouden Eeuw-debat, dat is mijns inziens van beide kanten pure symboolpolitiek. Dergelijke aanduidingen zijn voorwetenschappelijk en het hangt volledig af van welk perspectief je hanteert of het waardeoordeel van toepassing is. Vanuit een economisch en cultureel standpunt heeft Holland wel degelijk een Gouden Eeuw gekend. Ik ben persoonlijk noch trots, noch vol schaamte over “onze” Gouden eeuw. In de eerste plaats omdat het mijn Gouden Eeuw niet is… Mijn voorouders zaten in namelijk het Land van Ravenstein, een van de vele onafhankelijke gebieden die nooit onderdeel zijn geweest van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden… In de tweede plaats omdat ik niet mee wens te doen aan deze nieuwe erfzonde-leer waarin schuld en slachtofferschap worden gezien als iets dat erfelijk is. Wanneer we een Amerikaans discours – zonder gegronde reden – gaan toepassen op de Nederlandse situatie en allerlei symbolen (standbeelden, straatnamen, de Gouden Eeuw) uit het dagelijks leven verwijderen, waar zijn we dan mee bezig? Ook als je alles waar die symbolen voor staan moreel verwerpelijk vind, dan moet er toch juist iets zijn dat eraan blijft herinneren?

Jan Pieterszoon Coen door Ferdinand Leenhoff Hoorn.

Ik ben het helemaal met de heer Waling eens dat al die ideologische geladenheid ver van historisch onderzoek moet blijven. Dat betekend niet dat er geen ‘emancipatoire geschiedenis’ plaats kan vinden. Men moet dit mijns inziens echter niet doen door zich enkel en alleen op vrouwenonderdrukking of uitbuiting van ‘koloniale onderdanen’ te richten in isolement, maar door een geschiedenis te schrijven waar je dergelijke zaken simpelweg niet negeert en een bredere context plaatst. (Even terzijde: Ik vind (post-)koloniale geschiedenis wel degelijk een interessant en relevant onderwerp van studie. Het voegt immers iets toe.)

Waling lijkt echter naar mijn mening de nadelen van een nationale identificatie met het verleden wat te onderschatten. Het is eigenlijk onzin om te spreken van nationale geschiedenis aangezien de natie een negentiende-eeuwse uitvinding is. Bovendien is legitimatie van het vaderland net zo ideologisch geladen als al die morele lessen die men uit het verleden wil trekken. Identificatie met het verleden is prima, zolang men oppast de werkelijkheid niet in te ruilen voor een fantasie. Er was strikt genomen geen geschiedenis van Nederland voor 1815 (want er was geen Koninkrijk der Nederlanden). Om dit aan te tonen hoeft men enkel te kijken naar de grote verschillen tussen Nederlandse en Belgische geschiedenis (terwijl dit toch echt voor een heel groot deel hetzelfde verhaal geweest zou moeten zijn zou men toch denken). Nog steeds schetst onze canon een buitengewoon Hollandocentrisch beeld. Wel Rembrandt, geen Breugel of Jhieronymus Bosch. Wel Floris V en Michiel de Ruyter, geen Filips de Goede, Jan van Brabant of veldheer Maarten van Rossum…

Maar goed, we kunnen niet tot in den treuren revisionistisch blijven en in school curricula moeten we niet de nuance door de strot van de scholier proberen te duwen. Laten we ons vooral bezig houden met een pure interesse in het verleden. Reconstructie, observatie en de zoektocht naar een historische sensatie. Niet met arbitraire debatten over morele zaken en nationale trots die weinig met wetenschap te maken hebben. Laten we het vooral een beetje nuchter houden.

Tot zover mijn college.

Aanbevolen literatuur voor ieder die hier dieper op in wenst te gaan:
-Herman Paul, Als het verleden trekt: kernthema’s in de geschiedsfilosofie (2014 Den Haag).

J.R.R. Tolkien about the Catholic Church and Vatican II

John Ronald Reuel Tolkien (1892, Bloemfontein – 1973, Bournemouth) was a British philologist and author, best known for his novels The Hobbit and The Lord of the Rings and his influence on the Fantasy-genre. Tolkien was also a devout Roman Catholic with a strong opinion on the changes in the Church. In this article I have collected interesting fragments from letters written by Tolkien about his views on Catholicism. (The remainder of this website is in the Dutch language.)

Tolkien pictured in Oxford, 1972.

About changes in the Church

(From a letter to Michael Tolkien, dated 25 Aug. 1967)

[…]’Trends’ in the Church are…. serious, especially to those accustomed to find in it a solace and a ‘pax’ in times of temporal trouble, and not just another arena of strife and change.

But imagine the experience of those born (as I) between the Golden and the Diamond Jubilee of Victoria. Both senses or imaginations of security have been progressively stripped away from us. Now we find ourselves nakedly confronting the will of God, as concerns ourselves and our position in Time (Vide Gandalf I 70 and III 155). ‘Back to normal’ – political and Christian predicaments – as a Catholic professor once said to me, when I bemoaned the collapse of all my world that began just after I achieved 21.

I know quite well that, to you as to me, the Church which once felt like a refuge, now often feels like a trap. There is nowhere else to go!

(I wonder if this desperate feeling, the last state of loyalty hanging on, was not, even more often than is actually recorded in the Gospels, felt by Our Lord’s followers in His earthly life-time?) I think there is nothing to do but to pray, for the Church, the Vicar of Christ, and for ourselves; and meanwhile to exercise the virtue of loyalty, which indeed only becomes a virtue when one is under pressure to desert it. There are, of course, various elements in the present situation, which are confused, though in fact distinct (as indeed in the behaviour of modern youth, pan of which is inspired by admirable motives such as antiregimentation, and anti-drabness, a sort of lurking romantic longing for ‘cavaliers’, and is not necessarily allied to the drugs or the cults of fainéance and filth).

About the Roman Catholic Church pictured as a tree

The ‘protestant’ search backwards for ‘simplicity’ and directness – which, of course, though it contains some good or at least intelligible motives, is mistaken and indeed vain. Because ‘primitive Christianity’ is now and in spite of all ‘research’ will ever remain largely unknown; because ‘primitiveness’ is no guarantee of value, and is and was in great part a reflection of ignorance. Grave abuses were as much an element in Christian ‘liturgical’ behaviour from the beginning as now. (St Paul’s strictures on eucharistic behaviour are sufficient to show this!)

Still more because ‘my church’ was not intended by Our Lord to be static or remain in perpetual childhood; but to be a living organism (likened to a plant), which develops and changes in externals by the interaction of its bequeathed divine life and history – the particular circumstances of the world into which it is set.

Caspar David Friedrich (1774–1840), Der einsame Baum (Solitary Tree), 1822, Staatliche Museen zu Berlin.

There is no resemblance between the ‘mustard-seed’ and the full-grown tree. For those living in the days of its branching growth the Tree is the thing, for the history of a living thing is pan of its life, and the history of a divine thing is sacred. The wise may know that it began with a seed, but it is vain to try and dig it up, for it no longer exists, and the virtue and powers that it had now reside in the Tree. Very good: but in husbandry the authorities, the keepers of the Tree, must look after it, according to such wisdom as they possess, prune it, remove cankers, rid it of parasites, and so forth. (With trepidation, knowing how little their knowledge of growth is!) But they will certainly do harm, if they are obsessed with the desire of going back to the seed or even to the first youth of the plant when it was (as they imagine) pretty and unafflicted by evils. The other motive (now so confused with the primitivist one, even in the mind of any one of the reformers): aggiornamento: bringing up to date: that has its own grave dangers, as has been apparent throughout history. With this ‘ecumenicalness’ has also become confused.

About ecumenism and charity

I find myself in sympathy with those developments that are strictly ‘ecumenical’, that is concerned with other groups or churches that call themselves (and often truly are) ‘Christian’. We have prayed endlessly for Christian re-union, but it is difficult to see, if one reflects, how that could possibly begin to come about except as it has, with all its inevitable minor absurdities. An increase in ‘charity’ is an enormous gain. As Christians those faithful to the Vicar of Christ must put aside the resentments that as mere humans they feel – e.g. at the ‘cockiness’ of our new friends (esp. C[hurch] of E[ngland]). One is now often patted on the back, as a representative of a church that has seen the error of its ways, abandoned its arrogance and hauteur, and its separatism; but I have not yet met a ‘protestant’ who shows or expresses any realization of the reasons in this country for our attitude : ancient or modern : from torture and expropriation down to ‘Robinson’ and all that. Has it ever been mentioned that R[oman] C[atholic]s still suffer from disabilities not even applicable to Jews? As a man whose childhood was darkened by persecution, I find this hard. But charity must cover a multitude of sins! There are dangers (of course), but a Church militant cannot afford to shut up all its soldiers in a fortress. It had as bad effects on the Maginot Line.

About his education

I owe a great deal (and perhaps even the Church a little) to being treated, surprisingly for the time, in a more rational way. Fr Francis obtained permission for me to retain my scholarship at K[ing] E[dward’s] S[chool] and continue there, and so I had the advantage of a (then) first rate school and that of a ‘good Catholic home’ – ‘in excelsis’: virtually a junior inmate of the Oratory house, which contained many learned fathers (largely ‘converts’). Observance of religion was strict. Hilaryand I were supposed to, and usually did, serve Mass before getting on our bikes to go to school in New Street. So I grew up in a two-front state, symbolizable by the Oratorian Italian pronunciation of Latin, and the strictly ‘philological’ pronunciation at that time introduced into our Cambridge dominated school. I was even allowed to attend the Headmaster’s classes on the N[ew] T[estament] (in Greek). I certainly took no ‘harm’, and was better equipped ultimately to make my way in a non-Catholic professional society.[…]

About scandals and faith

(From a letter to Michael Tolkien, dated 1 November 1963)

[…]You speak of ‘sagging faith’, however. That is quite another matter:

In the last resort faith is an act of will, inspired by love. Our love may be chilled and our will eroded by the spectacle of the shortcomings, folly, and even sins of the Church and its ministers, but I do not think that one who has once had faith goes back over the line for these reasons (least of all anyone with any historical knowledge).

‘Scandal’ at most is an occasion of temptation – as indecency is to lust, which it does not make but arouses. It is convenient because it tends to turn our eyes away from ourselves and our own faults to find a scape-goat. But the act of will of faith is not a single moment of final decision : it is a permanent indefinitely repeated act > state which must go on – so we pray for ‘final perseverance’. The temptation to ‘unbelief (which really means rejection of Our Lord and His claims) is always there within us. Pan of us longs to find an excuse for it outside us. The stronger the inner temptation the more readily and severely shall we be ‘scandalized’ by others. I think I am as sensitive as you (or any other Christian) to the ‘scandals’, both of clergy and laity. I have suffered grievously in my life from stupid, tired, dimmed, and even bad priests; but I now know enough about myself to be aware that I should not leave the Church (which for me would mean leaving the allegiance of Our Lord) for any such reasons: I should leave because I did not believe, and should not believe any more, even if I had never met any one in orders who was not both wise and saintly. I should deny the Blessed Sacrament, that is: call Our Lord a fraud to His face.

If He is a fraud and the Gospels fraudulent – that is : garbled accounts of a demented megalomaniac (which is the only alternative), then of course the spectacle exhibited by the Church (in the sense of clergy) in history and today is simply evidence of a gigantic fraud. If not, however, then this spectacle is alas! only what was to be expected: it began before the first Easter, and it does not affect faith at all – except that we may and should be deeply grieved. But we should grieve on our Lord’s behalf and for Him, associating ourselves with the scandalizers not with the saints, not crying out that we cannot ‘take’ Judas Iscariot, or even the absurd & cowardly Simon Peter, or the silly women like James’ mother, trying to push her sons.

It takes a fantastic will to unbelief to suppose that Jesus never really ‘happened’

, and more to suppose that he did not say the things recorded of him – so incapable of being ‘invented’ by anyone in the world at that time : such as ‘before Abraham came to be lam‘ (John viii). ‘He that hath seen me hath seen the Father‘ (John ix); or the promulgation of the Blessed Sacrament in John v: ‘He that eateth my flesh and drinketh my blood hath eternal life‘. We must therefore either believe in Him and in what he said and take the consequences; or reject him and take the consequences.

About the importance of Communion

I find it for myself difficult to believe that anyone who has ever been to Communion, even once, with at least right intention, can ever again reject Him without grave blame.

Elevation of the chalice after the consecration during a Solemn Mass.

(However, He alone knows each unique soul and its circumstances.) The only cure for sagging of fainting faith is Communion. Though always Itself, perfect and complete and inviolate, the Blessed Sacrament does not operate completely and once for all in any of us. Like the act of Faith it must be continuous and grow by exercise. Frequency is of the highest effect. Seven times a week is more nourishing than seven times at intervals. Also I can recommend this as an exercise (alas! only too easy to find opportunity for):

make your communion in circumstances that affront your taste.

Choose a snuffling or gabbling priest or a proud and vulgar friar; and a church full of the usual bourgeois crowd, ill-behaved children – from those who yell to those products of Catholic schools who the moment the tabernacle is opened sit back and yawn – open necked and dirty youths, women in trousers and often with hair both unkempt and uncovered. Go to Communion with them (and pray for them). It will be just the same (or better than that) as a mass said beautifully by a visibly holy man, and shared by a few devout and decorous people. (It could not be worse than the mess of the feeding of the Five Thousand – after which [Our] Lord propounded the feeding that was to come.)V

About the Pope, Reformation and Vatican II

I myself am convinced by the Petrine claims, nor looking around the world does there seem much doubt which (if Christianity is true) is the True Church, the temple of the Spirit dying but living, corrupt but holy, self-reforming and rearising.

But for me that Church of which the Pope is the acknowledged head on earth has as chief claim that it is the one that has (and still does) ever defended the Blessed Sacrament, and given it most honour, and put it (as Christ plainly intended) in the prime place. ‘Feed my sheep‘ was His last charge to St Peter; and since His words are always first to be understood literally, I suppose them to refer primarily to the Bread of Life. It was against this that the W. European revolt (or Reformation) was really launched – ‘the blasphemous fable of the Mass’ – and faith/works a mere red herring.

I suppose the greatest reform of our time was that carried out by St Pius X: surpassing anything, however needed, that the [Second Vatican] Council will achieve. I wonder what state the Church would now be but for it.

Conclusion- ‘I failed as a father’

This is rather an alarming and rambling disquisition to write! It is not meant to be a sermon! I have no doubt that you know as much and more. I am an ignorant man, but also a lonely one. And I take the opportunity of a talk, which I am sure I should now never take by word of mouth. But, of course, I live in anxiety concerning my children: who in this harder crueller and more mocking world into which I have survived must suffer more assaults than I have. But I am one who came up out of Egypt, and pray God none of my seed shall return thither. I witnessed (half-comprehending) the heroic sufferings and early death in extreme poverty of my mother who brought me into the Church; and received the astonishing charity of [Fr.] Francis Morgan. But I fell in love with the Blessed Sacrament from the beginning – and by the mercy of God never have fallen out again: but alas! Indeed did not live up to it. I brought you all up ill and talked to you too little. Out of wickedness and sloth I almost ceased to practise my religion – especially at Leeds, and at 22 Northmoor Road. Not for me the Hound of Heaven, but the never-ceasing silent appeal of Tabernacle, and the sense of starving hunger. I regret those days bitterly (and suffer for them with such patience as I can be given); most of all because I failed as a father.

Now I pray for you all, unceasingly, that the Healer (the Hælend as the Saviour was usually called in Old English) shall heal my defects, and that none of you shall ever cease to cry Benedictus qui venit in nomme Domini.

J.R.R. Tolkien

Source

J.R.R. Tolkien, red. Humphrey Carpenter, Christopher Tolkien, The Letters of J.R.R. Tolkien (1981 London).

Cinematografische spiegel van het verleden. Debatten over de waarde van de historische film

Het is steeds moeilijker voor historici om de door hun onderzoek vergaarde inzichten bij het brede publiek onder de aandacht te brengen. Tegelijkertijd blijft de aantrekkingskracht van historische films dominant. De belangrijkste bron over het verleden voor de gemiddelde mens zijn visuele media, zo stelt Robert A. Rosenstone.[1] Het is daarom niet meer dan logisch dat historici ook aandacht besteden aan historische films en de wijze waarop deze het verleden representeren. Wat zijn de beperkingen en mogelijkheden van de film als geschiedschrijving?

In 2009 publiceerde geschiedfilosoof Marnie Hughes-Warrington als redacteur The History on Film Reader, een historiografisch overzicht van het wetenschappelijke debat over de historische film van de afgelopen dertig jaar. Hughes-Warrington wil het debat concentreren op de mogelijkheid films als historisch middel in te zetten. Tegelijkertijd stelt ze ook voor te reflecteren op de huidige historische methode die schrift privilegieert over visueel materiaal.[2] In dit essay zal ik een schets maken van het debat onder historici over de waarde van de historische film. Dit zal ik doen aan de hand van de artikelen van visueel historicus Robert A. Rosenstone, filmcriticus en historicus Pierre Sorlin, historicus van de Oudheid Lloyd Llewellyn-Jones en genderhistoricus Martha Driver.

De historiografie omtrent historische films heeft zich lange tijd beperkt tot het bekritiseren van de wijze waarop films het verleden reconstrueren. Volgens Hughes-Warrington wordt film als medium doorgaans als inferieur gezien ten opzichte van geschreven geschiedenis omdat historische films niet voldoen aan de standaard voor wetenschappelijk onderzoek. Rosenstone gaat hier verder op in aan de hand de verfilming van zijn boek over John Reed: Reds (1981). Volgens hem voldoet Reds niet aan de eisen omtrent feitelijkheid en falsificatie die aan historisch onderzoek gesteld worden. De dynamische historische werkelijkheid wordt in een lineair verhaal gegoten, waarmee volgens Rosenstone alle nuance verdwijnt. Door het ontbreken van voetnoten en dwarsverwijzingen is een film in tegenstelling tot geschreven geschiedenis bovendien niet falsificeerbaar.[3] Om deze reden publiceerde historicus Natalie Zemon Davis na haar bijdrage aan de film Le retour de Martin Guerre (1982) een geschreven historische studie over haar onderzoek.[4]

Ook Llewellyn-Jones reflecteert op de beperkingen van het medium aan de hand van persoonlijke ervaring met een filmproductie. Llewellyn-Jones stelt dat, ondanks het respect voor de historische werkelijkheid van regisseur Oliver Stone en het grote oog voor detail van het production design, de film Alexander (2004) een zeer ahistorisch beeld schetst van de historische werkelijkheid. De film bevestigd de stereotype opvattingen over de tegenstelling tussen Oost en West die Edward Said als Oriëntalisme heeft aanduid. Volgens Llewellyn-Jones is de oorzaak hiervan de mis-en-scène en het feit dat een film vanuit een modern perspectief is geschreven.[5]

Dit laat zien dat het geen zin heeft als historici zich beperken tot het bekritiseren van de historische accuraatheid van films, zoals Pierre Sorlin betoogd.[6] Volgens Hughes-Warrington wijzen historici voornamelijk op gebreken van historische films. De laatste dertig jaar zijn er echter steeds meer historici die theoretiseren over de eigen waarde van film en de complementariteit tussen film en geschreven geschiedenis.[7] Zo pleit Sorlin ervoor om een film als fictie in zijn eigen waarde te laten en de interactie te onderzoeken tussen historische films en de geschiedenis. Een film is volgens Sorlin namelijk een indicator van het historische perspectief van een samenleving. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar welke informatie vanzelfsprekend wordt geacht, wat voor perspectief er geboden wordt en wat dat ons zegt over de perceptie van het verleden.[8] Dat sluit aan bij Llewellyn-Jones’ ondervinding dat een film historisch is omdat het een product is van zijn eigen tijd door de invloed van moderne (esthetische) voorkeuren.[9]

Ook Martha Driver wil film in zijn eigen waarde analyseren. Zij pleit er zelfs voor om films een centrale plaats te geven in historisch onderwijs. Als, zoals Sorlin betoogd, een film als werk van fictie wordt gezien kan het – juist door de historische onjuistheden – ons iets leren over perceptie van het verleden. Bovendien hoeft een film volgens Driver geen accuraat beeld te schetsen van de historische werkelijkheid om ons iets te leren over die historische werkelijkheid. Driver noemt hierbij als voorbeeld Eric Rohmer’s Perceval le Gallois (1978). Rohmer pretendeert niet het historische verleden te representeren in zijn film, maar de visie op dit verleden zoals beschreven in Chrétien de Troyes’ twaalfde-eeuwse geschriften. Rohmer’s film kan ons dus iets leren over ‘the Medieval period as it saw itself’.[10]

De beperkingen van film als medium die eerder zijn besproken door Rosenstone en Llewellyn-Jones hoeven sinds de introductie van de DVD volgens Driver geen probleem meer te zijn. De technologie van de DVD (en meer recent Blu-ray of streaming) maakt het namelijk wel degelijk mogelijk om dwarsverwijzingen en voetnoten in een film te gebruiken. Ook ontkracht Driver het bezwaar dat films per definitie minder accuraat zijn dan geschreven geschiedenis omdat er altijd sprake zou moeten zijn van een simplistisch lineair verhaal. Zij verwijst naar Benjamin Christensen’s Häxan (1922), een film die niet narratief of reconstructie maar historisch inzicht centraal stelt. De korte documentaires over het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de film, die zijn opgenomen op de DVD-uitgave van Criterion, zouden gezien kunnen worden als audiovisuele voetnoten.[11]

Concluderend kunnen we stellen dat de historiografie zich heeft ontwikkeld van films bekritiseren en het onder de aandacht brengen van beperkingen van film als medium, naar theoretisering over de rol van film in de geschiedschrijving. Waar film lang werd gespiegeld aan geschreven geschiedenis komt er steeds meer aandacht voor de geheel eigen waarde die films voor historici kunnen hebben. Wanneer we ons als historici enkel richten op geschreven geschiedschrijving miskennen we het feit dat film voor de meerderheid van de mensen een belangrijke bron over het verleden is. Een film is dus niet alleen spiegel van een (fictief) verleden, maar ook een spiegel van het referentiekader van de tijd en cultuur waarin zij geproduceerd is. Grotere aandacht voor film en het actief inzetten van film als medium zou wellicht een mogelijkheid kunnen zijn om het algemeen publiek te overtuigen van de toegevoegde waarde van de geschiedwetenschap.

Bibliografie

Driver, M., ‘Teaching the Middle Ages on Film: Visual Narrative and the Historical Record’, History Compass, 5 (2007), 159-171.

Hughes-Warrington, M., ‘Introducing historical film’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 1-8.

Hughes-Warrington, M., ‘Introduction: history on film: theory, production, reception’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 13-14.

Llewellyn-Jones, L., ‘”Help me, Aphrodite!” Depicting the royal women of Persia in Alexander’,  in: P. Cartledge, F.R. Greenland en O. Stone (red.) Responses to Oliver Stone’s Alexander: Film, History, and Cultural Studies (Madison, 2010), 243-251.

Sorlin, P., ‘The film in history’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 15-16.

Rosenstone, R.A., ‘History in images/history in words’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 30-40.

[1] Robert A. Rosenstone, ‘History in images/history in words’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 30-32, 39-40.

[2] Marnie Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film: theory, production, reception’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 1-8.

[3] Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film’; Rosenstone, ‘History in images/history in words’.

[4] Martha Driver, ‘Teaching the Middle Ages on Film: Visual Narrative and the Historical Record’, History Compass 5 (2007), 159-171.

[5] Lloyd Llewellyn-Jones, ‘”Help me, Aphrodite!” Depicting the royal women of Persia in Alexander’,  in: P. Cartledge, F.R. Greenland en O. Stone (red.) Responses to Oliver Stone’s Alexander: Film, History, and Cultural Studies (Madison, 2010), 243-251.

[6] Pierre Sorlin, ‘The film in history’, in: M. Hughes-Warrington (red.) The History on Film Reader (Londen-New York, 2009), 15-16.

[7] Hughes-Warrington, ‘Introduction: history on film’.

[8] Pierre Sorlin, ‘The film in history’.

[9] Lloyd Llewellyn-Jones, ‘”Help me, Aphrodite!”.

[10] Martha Driver, ‘Teaching the Middle Ages on Film’.

[11] Ibidem.

Het archief als het domein van de historicus: reflectie op de methode van Leopold von Ranke

Wetenschapshistoricus Kasper Risbjerg Eskildsen heeft Leopold von Rankes methode onderzocht in zijn artikel ‘Leopold Ranke’s Archival Turn: Location and Evidence in Modern Historiography’. Hij onderzoekt de manier waarop Ranke tot zijn methode is gekomen en hoe zijn ervaringen in het archief zijn geschiedwerk en identiteit hebben beïnvloed. Moderne historici hebben kritiek op Rankes werk vanwege zijn vertelstrategieën en partijdigheid. Volgens Eskildsen wordt er te weinig aandacht besteed aan Rankes methodiek en hoe deze gevormd is door politiek. Eskildsen betoogt dat Rankes ervaringen in het archief zowel zijn opvatting over de geschiedschrijving als zijn politieke stellingname voor de conservatieve machten van Oostenrijk en Pruisen hebben gevormd.

Leopold von Ranke (Wiehe, 21 december 1795 – Berlijn, 23 mei 1886)

Archiefonderzoek werd lang als inferieur gezien ten opzichte van analytische interpretatie, omdat het zich richt op het specifieke en niet het universele of wetmatige. Ranke reisde door Oostenrijk en Italië om archieven te bezoeken en schreef het boek ‘Ueber die Verschwörung gegen Venedig’. Opmerkelijk is dat hij concludeert dat Venetiaanse historici zich hebben gebaseerd op vervalste bronnen en hij zelf tot nieuwe inzichten kwam op basis van archiefmateriaal. Daarmee bewees hij dat productie van historische kennis alleen in het archief plaats kon vinden en daarbuiten slechts bestaande kennis werd herhaald.

Het doel van Rankes boek was om de lezer uit te leggen hoe hij nieuwe kennis heeft opgedaan in het archief. Dit leidde de aandacht af van hoe afhankelijk de lezer is van zijn betrouwbaarheid. Uit brieven van Ranke blijkt dat lokale omstandigheden een grote rol spelen bij archiefonderzoek. Veel documenten waren vertrouwelijk omdat staten deze als van groot politiek belang zagen. Daarom waren connecties, zoals Ranke had met het Weense hof en Pruisische diplomaten, erg belangrijk om toegang tot documenten te verkrijgen. Het gevolg van de sterke band die hierdoor met de connecties werd opgebouwd was dat Ranke loyaliteitsgevoelens tegenover hen kreeg. Dat had invloed op keuzes die hij in zijn onderzoek maakte.

Zijn methode kan gezien worden als een reactie op de politiek van de verlichting. Door de focus op politieke documenten wordt het volk namelijk gereduceerd tot een passieve massa. Politiek bepaalde welke documenten bewaard en getoond werden en dus bepaalde politiek ook resultaten van onderzoek. Door de top-down benadering met focus op geleidelijke veranderingen en continuïteit werd geschiedenis een instrument tegen radicale omwenteling. Daarmee stond het in dienst van de antirevolutionaire politiek van Pruisen. Rankes methode kon blijven voortbestaan omdat het werd aangepast aan de behoeften van liberale constitutionele staten. Geschiedenis werd het perspectief van ambtenaren en individuele actie werd gezien als onmogelijk.

Binnen de geschiedwetenschap zorgde de focus op het archief voor de opvatting dat geschiedschrijving alleen plaatsvind op basis van documenten. Daarmee kwam er strikte scheiding tussen geschiedenis en haar hulpwetenschappen en tussen de historie en de prehistorie. Volgens Eskildsen zijn Rankes ideeën over het belang van archiefonderzoek, rationele reconstructie en de voorkeur voor documenten recent weer prominenter geworden. Daarom is het belangrijk om ons bewust te zijn van de implicaties van context bij ons bronnenonderzoek. De ordening in een archief is niet objectief en de keuzes van de historicus zijn dat ook niet. Eskildsens analyse van de werkwijze van Ranke maakt duidelijk dat er per definitie politieke implicaties zijn. Om deze implicaties in ons onderzoek te beperken is het van belang ons te verdiepen in de context van het archiefmateriaal en ons niet te beperken tot diplomatieke documenten, maar zoveel mogelijk verschillend materiaal te gebruiken.

Literatuur
Eskildsen, K.R., ‘Leopold Rankes archival turn. Location and evidence in modern historiography’, Modern Intellectual History 5 (2008) 425-453.

Zaaien op onvruchtbare grond? Sporen van het boerenleven van de late Middeleeuwen

Onderzoek naar het boerenleven van de late middeleeuwen lijkt onbegonnen werk. Niet alleen zijn bronnen bijzonder schaars, de beschikbare bronnen bevatten vaak ook geen getrouwe weergave van het boerenleven.[1] Ik betoog dat historici het best met deze problemen om kunnen gaan door altijd meerdere bronnen te gebruiken en verschillende typen bronnen elkaar te laten aanvullen.

Representaties van het boerenleven zijn terug te vinden in middeleeuwse literatuur en afbeeldingen uit verluchte manuscripten, altaarstukken en houtgravures. Het probleem van deze bronnen is dat ze door de elite en – met uitzondering van sommige altaarstukken – uitsluitend voor de elite zijn vervaardigd. Het doel was bovendien niet om een getrouwe weergave te geven van het boerenleven. Zo werden boeren bijvoorbeeld vaak gebruikt als positief of negatief voorbeeld en zodoende zeggen de bronnen weinig over echte boeren. De gekleurdheid van deze bronnen betekent echter niet dat ze volstrekt nutteloos worden. Een satirische representatie of karikatuur moest namelijk wel herkenbaar zijn, zodat de lezer of aanschouwer begreep dat het om een boer ging.[2]

Een voorbeeld uit de Lage Landen is het beroemde getijdenboek Les Très Riches Heures du duc de Berry van de Gebroeders Van Lymborch. Boeren werden hier gebruikt als karikatuur en om te spiegelen met de rijkdom aan het hof.[3] Het getijdenboek geeft echter wel inzicht welke werkzaamheden boeren in een bepaald seizoen verrichtten. In combinatie met archeologische vondsten en normatieve bronnen kan het getijdenboek ook een bron zijn voor respectievelijk de werktuigen en de kleding van boeren in deze periode.[4]

De Gebroeders van Lymborch, Les Très Riches Heures du duc de Berry,  Maart.

Bij het gebruik van economische gegevens lopen historici ook tegen problemen aan. De meeste gegevens gaan namelijk over heerlijke landerijen en kloosterdomeinen en niet over de opbrengsten van vrije boeren en gemeenschappelijke gronden. Ben Dodds heeft getracht dit probleem op te lossen door tiendenregisters (waar de volledige opbrengst in is opgenomen) te vergelijken met opbrengsten van heerlijke landerijen. Dit deed hij voor meerdere plaatsen in Zuid-Engeland, om zo betrouwbare conclusies te kunnen trekken.[5]

Archeologie vormt op veel van deze problemen een uitzondering en geeft ons betrouwbare informatie over bijvoorbeeld werktuigen en woningen. Archeologie heeft echter beperkingen. Vondsten bevatten namelijk alleen informatie over een beperkt gebied en op basis van vondsten alleen is ook weinig te zeggen over de toepassing.[6] Archeoloog Antoinette Huibers maakte een reconstructie van het twaalfde-eeuwse boerenerf in het huidige Noord-Brabant. Hiervoor bracht zij opgravingen van vierenvijftig compleet teruggevonden archeologische boerenerven in de regio in verband met studies over sociologie, antropologie en historische huisbouw. Daarmee heeft zij aannemelijk kunnen maken dat het boerenerf was opgedeeld in een apart deel voor mannelijk en voor vrouwelijk werk.[7]

Bronnen zoals literatuur, kunst, wetgeving en economische gegevens bevatten op zichzelf dus weinig betrouwbare informatie over het leven van gewone boeren. Ook archeologie op zichzelf brengt beperkingen in interpretatie met zich mee. Enkel wanneer meerdere bronnen met elkaar in verband worden gebracht, kan een historicus betrouwbare inzichten verkrijgen over het leven van boeren in de late middeleeuwen. Op die manier kan het probleem van schaarse, onbetrouwbare of ontoereikende bronnen het best worden overkomen.

 

Literatuurlijst

Alexander, J., ‘Labeur and Paresse. Ideological Representations of Medieval Peasant Labor’, The Art Bulletin 72:3 (1990) 436-452.

Dodds, B., ‘Demesne and Tithe. Peasant Agriculture in the Late Middle Ages’, The Agricultural History Review 56:2 (2008) 123-41.

Huijbers, A.M.J.H., Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied (Amsterdam 2007).

Jaritz, G., ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages. “Image” and “Reality”’, in: D. Sweeny red., Agriculture in the Middle Ages. Technology, practice and representation (Philadelphia 1995) 163-85.

 

[1] Gerhard Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages: “Image” and “Reality”’, in: Del Sweeny (red.), Agriculture in the Middle Ages: Technology, practice and representation (Philadelphia 1995) 163-85.

[2] Ibidem.

[3] Jonathan Alexander, ‘Labeur and Paresse. Ideological Representations of Medieval Peasant Labor’, The Art Bulletin 72:3 (1990) 436-452.

[4] Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages’.

[5] Ben Dodds, ‘Demesne and Tithe. Peasant Agriculture in the Late Middle Ages’, The Agricultural History Review 56:2 (2008) 123-41.

[6] Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages’.

[7] Antoinette Huijbers, Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied (Amsterdam 2007).

 

Het sublieme en het vulgaire: de Hallé concerten van Manchester

In zijn artikel The Sublime and the Vulgar bespreekt Simon Gunn de invloed van klassieke concerten op de opkomst van burgerlijke cultuur. Voorheen is hier nog geen onderzoek naar gedaan omdat muziek los van debatten over burgerlijke cultuur werd behandeld in muziekgeschiedenis. Als casus gebruikt Gunn de door dirigent Charles Hallé opgezette concerten in Manchester vanaf 1850. Op basis van eigentijdse kranten en eerdere onderzoeken van vooraanstaande cultuurhistorici trekt Gunn uiteindelijk de conclusie dat de Hallé concerten hebben geleid tot een bepaalde gedragscode onder de middenklasse en een leer van esthetiek en moraal waarbij een zeer duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen hoge en lage cultuur. Klassieke muziek was een essentieel onderdeel van de burgerlijke cultuur geworden en de concerten een belangrijke gelegenheid om status te kunnen tonen en te socialiseren.

Charles Hallé

Voordat Hallé’s concerten waren geïntroduceerd werden klassieke en populaire muziek door elkaar heen gespeeld in concertzalen en was er een sterke scheiding tussen de volkse Music Hall en elitaire muziekclubs waar je een abonnement voor nodig had. Hallé zou daar, gemotiveerd door een liberaal vrije markt ideaal, commercieel opportunisme en het doel om het publiek  ‘muzikaal op te voeden’, verandering in gaan brengen, betoogt Gunn. Om dit te bewerkstelligen professionaliseerde Hallé het orkest en opende hij de verkoop van kaartjes tegen een lage vaste prijs, waardoor de concerten toegankelijk werden voor een breed publiek.

De concerten waren echter nog steeds voornamelijk een aangelegenheid voor de midden klasse en de elite. Gunn verklaard dit door stijgende prijzen, een beperkt aantal goedkope zitplaatsen en het feit dat de concerthal winst maakte op seizoenkaarten. Voor de midden klasse en de elite werden concerten een gelegenheid om zichzelf te profileren. Dit gebeurde volgens Gunn doormiddel van de gedifferentieerde zitplaatsen en de kleding waarmee een verschil in sociale status zichtbaar werd. Naast etiquette over zitplaatsen en kleding waren er ook normen voor het gedrag van de bezoekers. Zo was stilte tijdens concerten een vereiste voor de eerbiedwaardigheid als publiek en de eerbied tegenover muziek als kunstvorm.

Volgens Gunn was de stilte-etiquette slechts een onderdeel van Hallé’s grotere doel om het publiek het verschil tussen klassieke en populaire muziek bij te brengen. Orkestrale werken zoals die van Beethoven en de Duitse school werden gezien als hoge kunst. Concerten met diverse muziekstukken, waaronder ballades, bleven echter nog enige tijd voorkomen. Naast het formeren van een repertoire van klassieke muziek ontstond er ook een neoromantische muzikale esthetiek. Echte muziek moest als kunst worden gezien en emoties overbrengen, waarmee het zich onderscheidde van de populaire ‘achtergrondmuziek’. Muziekcritici speelde volgens Gunn een belangrijke rol bij het verspreiden van visies op esthetiek. Het gevolg was dat populaire muziek steeds meer als inferieur en vulgair werd gezien en er een grote distinctie tussen de lage cultuur van de volkse Music Hall en de hoge cultuur van Concert Hall ontstond.

Tot slot maakt Gunn nog enkele kanttekeningen. Zo was er altijd al een distinctie tussen hoge en lage cultuur, alleen nu met scherpere esthetische en morele classificatie. Gunn gaat in tegen Richard Sennet’s theorie dat de stilte-etiquette een teken was van onzekerheid van de elite tegenover de kunstenaar. Hij sluit zich aan bij James Johnson en gebruikt de casus van Manchester als voorbeeld van de elite die de concertgebouwen gebruikt om zichzelf met etiquette en eerbiedwaardigheid te onderscheiden. Met als gevolg conformiteit en sociale ongelijkheid. Klassieke concerten ontwikkelde echter niet geïsoleerd maar in een breder kader van stedelijke cultuur, betoogt Gunn. Omdat de concerten van Hallé in Manchester een plaats waren om burgerlijke trots uit te dragen werden zij volgens Gunn een essentieel onderdeel van de hoge cultuur van de burgerij.

Bronnen

Gunn, S., ‘The Sublime and the Vulgar: the Hallé concerts and the constitution of ‘high culture’ in Manchester c. 1850-1880’, Journal of Victorian Culture 2:2 (1997) 208-228.

Bronnen over het leven van de profeet Mohammed

De levens van de stichters van de wereldreligies blijven voor historici vaak een mysterie. We weten echter wel meer over het leven van Mohammed dan over dat van Jezus Christus. Onder het merendeel van de historici bestaat er geen twijfel dat de profeet Mohammed daadwerkelijk geleefd heeft. Bewijs hiervoor is een Griekse tekst uit de vroege zevende eeuw waarin werd gesproken over een valse profeet onder de Saracenen. Toch blijft het erg moeilijk voor historici om met zekerheid wat over het leven van Mohammed te zeggen. De oorzaak daarvan zijn de bronnen die we tot onze beschikking hebben.[1]

Rashid-al-Din Hamadani, Mohammed en de Engel Gabriël in Jami’ al-tawarikh (1307).

De eerste islamitische literatuur over Mohammed komt uit de late achtste eeuw. Ruim vijf generaties na zijn dood omstreeks 632. Ook munten en inscripties vermelden de profeet pas vanaf vijftig jaar na zijn dood. Zijn boodschap en de verhalen over zijn leven werden in de vorm van orale overlevering doorgegeven. Hoewel het verloop van de overlevering vrij goed is gedocumenteerd verandert de inhoud van zulke overleveringen makkelijk door veranderende omstandigheden.[2] Bovendien heeft er bij het verzamelen en opschrijven van de orale verhalen ook redactie en selectie plaatsgevonden.[3]

De Koran geeft ons weinig informatie over het leven van de profeet. Uitspraken van Mohammed worden beschreven, maar de context waarin deze zijn gedaan ontbreekt. Het taalgebruik is daarnaast vaak obscuur en vaag.[4] Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken van ‘de gelovigen’ en ‘de verdorvenen’ zonder dat duidelijk is naar wie deze termen verwijzen.[5]

Een groot probleem met de islamitische teksten is dat ze zijn geschreven met een bepaald doel voor ogen. Zo is het doel van de uitspraken en daden van Mohammed in de Hadith het legitimeren van islamitische wetten en doctrines. Dit is ook van toepassing op de overleveringen van het leven van Mohammed die door vroege islamitische schrijvers zijn verzameld.[6] Het doel van dit soort verhalen is om de interpretatie van bepaalde Koranverzen te verduidelijken. Ibn Ishaak’s verhaal ‘de grote leugen’, waarin Aïsja valselijk wordt beschuldigd van overspel, bied bijvoorbeeld context voor de Koranverzen in soera 24 over de consequenties van laster en overspel.[7] In dit verhaal gebruikt de Soenniet Ishaak bovendien ook de persoon van Ali als een van de lasteraars om het Sjiisme minder legitimiteit te geven.[8]

Tot slot is er weinig bekend over de geografische context van de boodschap van Mohammed. Over het midden van het Arabisch schiereiland is in die tijd niets geschreven door de Perzen of de Byzantijnen. Ook zijn er geen niet-islamitische bronnen over het Mekka van voor de Islamitische verovering. Wat zou kunnen wijzen op een door doctrine gemotiveerde, latere keuze voor Mekka als locatie van de openbaringen van Mohammed.[9]

We weten met zekerheid dat Mohammed geleefd heeft en in grote lijnen ook wat zijn boodschap was, maar we weten vrijwel niets over de context van zijn boodschap met enige zekerheid. De grote afstand in chronologie tussen de beschreven gebeurtenissen en het opschrijven van de verhalen betekent dat we als historici voorzichtig moeten zijn met het trekken van conclusies. Het feit dat alle teksten zijn geschreven met een ander doel dan het feitelijk documenteren van het leven van Mohammed is daarvoor een van de belangrijkste oorzaken.[10]

Bronnen

[1] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’, Open Democracy, (geraadpleegd 23 februari 2019).
[2] Ibidem.
[3] Wim Raven, ‘Biography of the Prophet’, Encyclopedia of Islam, (geraadpleegd 23 februari 2019).
[4] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[5] De Koran: Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands, vert. Fred Leemhuis (Houten 1989) 238-239.
[6] Wim Raven, ‘Biography of the Prophet’.
[7] De Koran, 238-239.
[8] Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven (Amsterdam 2000) 179-186;
Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[9] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[10] Ibidem.

Polybius: profeet van het eind van de Romeinse Republiek

De Historíai van Polybius worden vaak gezien als een verheerlijking van de Romeinse staatsinrichting. Hierdoor heeft Polybius in de ogen van sommigen het imago van een collaborateur gekregen.[1] Uit zijn beschrijving van de Romeinse staatsvorm blijkt weliswaar dat hij deze staatsvorm als superieur ziet.[2] De Romeinse staatsvorm is volgens hem echter niet uitgesloten van anakyklosis, het cyclische model dat hij omschrijft.[3] Daarmee geeft hij toe dat de Romeinse staatsvorm niet perfect is en voorspelt hij de val van de Romeinse republiek en de overgang naar het keizerrijk.

Thomas Cole, Destruction (1836).

De kringloop van staatsvormen wordt volgens Polybius door middel van een natuurlijk proces doorlopen.[4] Volgens Polybius is dit natuurlijke proces in het bijzonder van toepassing op de Romeinse staatsvorm. Deze is volgens hem namelijk: ‘van het begin af op natuurlijke wijze gevormd en gegroeid’.[5]

Hij benoemt daarnaast expliciet dat de door hem beschreven natuurlijke orde niet enkel inzicht kan geven in het ontstaan van de Romeinse staatsvorm, maar ook in de toekomst, namelijk: ‘de verandering in omgekeerde richting die hierop zal volgen’. Juist omdat de Romeinse staatsvorm zich altijd op natuurlijke wijze heeft ontwikkeld zal deze dat ook blijven doen.[6]

Volgens het cyclische model van Polybius zal een democratie ten val komen wanneer er een jacht op ambten ontstaat en het volk gecorrumpeerd wordt. Als gevolg hiervan zal er een geweldsheerschappij ontketend worden en het recht van de sterksten worden nageleefd. Uit deze omstandigheden zal een ambitieuze en onverschrokken leider opstaan en er ontstaat opnieuw een alleenheerschappij die weer kan uitgroeien tot een monarchie waarin de heerschappij op basis van vrijwilligheid wordt verleend.[7]

Tijdens de late Republiek vonden steeds meer politieke rellen plaats in Rome. De conflicten tussen de populares en de optimates zouden leiden tot een burgeroorlog. Hierin zouden militaire leiders steeds machtiger worden. De ambitieuze generaal Julius Caesar vergaarde veel invloed en werd verkozen tot dictator en consul voor het leven, een ontwikkeling richting de “vrijwillig” toegekende alleenheerschappij.[8]

Uiteindelijk zou Augustus de facto alleenheerser worden door meerdere ambten tegelijk aan te nemen en de staatsindeling te hervormen. De senaat bleef bestaan en enige invloed hebben, de macht was echter niet meer in handen van het volk en een groep aristocraten, maar van de heerser die later keizer genoemd zou gaan worden.[9]

Concluderend kan worden vastgesteld dat Polybius in de tweede eeuw voor Christus al de val van de Romeinse republiek en de overgang naar het keizerrijk heeft voorspeld. Het proces dat hij beschrijft, waarin een democratie vervalt en weer terugkomt op een alleenheerschappij, vertoond grote gelijkenissen met de geschiedenis van de late republiek en zodoende kan Polybius worden gezien als een visionair. s

Bronnen

[1] A.M. Eckstein, Moral vision in the Histories of Polybius (Berkeley 1995) 194-195; D. Inglis en R. Robertson, ‘From republican virtue to global imaginary: changing visions of the historian Polybius’, History of the Human Sciences 19:1 (2006) 1-9.
[2] Polybius, Wereldgeschiedenis, vert. W. Kassies (Amsterdam 2007) 6.10.14.
[3] Ibidem, 6.9.12-6.9.14.
[4] Ibidem, 6.7.1-6.9.10.
[5] Ibidem, 6.4.13.
[6] Ibidem, 6.9.12-6.9.14.
[7] Ibidem, 6.9.4-6.9.9, 6.4.2.
[8] J.P. McKay e.a., A History of Western Society (12e editie; Boston 2017) 141-149.
[9] Ibidem, 154-155.

Met kritische blik: recenseren van publicaties over de Contrareformatie

Op een kritische manier kijken naar bronnen is een belangrijk onderdeel van de geschiedwetenschap. Vandaar dat het recenseren van publicaties erg zinvol is. Door middel van recensies kunnen we namelijk beoordelen of een publicatie relevant is voor een onderzoeksvraag. Het is van belang dat een recensie voldoende aspecten van de publicatie behandeld. Om dit te illustreren wordt in dit essay een vergelijking gemaakt tussen twee recensies van publicaties over de Contrareformatie. Namelijk Johanna Roelevink’s recensie van Reformatie in Brabant en Craig Harline’s recensie van The Ashgate Research Companion to the Counter-Refomation.

Vernieling van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen op 20 augustus 1566.

Om te beginnen komt de vraagstelling van de publicatie kort aanbod. Zowel Roelevink als Harline geven duidelijk een onderwerp en een afbakening aan in tijd, plaats en historisch domein. [1] Over de methode die is toegepast wordt vooral de invalshoek behandeld. Er wordt echter weinig gezegd over het brongebruik. Al geeft Roelevink wel aan dat de bronnen volgens haar op een goede manier zijn gebruikt.[2]

Harline geeft aan hoe de publicatie zich verhoudt tot het historisch debat door aandacht te besteden aan hoe de auteurs omgaan met discussies rond de term Contrareformatie. [3] Zowel Roelevink als Harline benoemen wat de publicatie toevoegt aan de kennis over het onderwerp en hoe de visie van de auteurs aansluit op die van historici die zich met het zelfde onderwerp bezighouden.[4] Bij het formuleren van een eigen visie geeft Roelevink voornamelijk aandacht aan het perspectief waaruit die visie tot stand is gekomen, waar Harline ook aandacht geeft aan de argumentatie. [5]

Casussen worden ook besproken. Roelevink beschrijft de casussen in de vorm van een doorlopend verhaal. Harline betrekt echter de structuur van het boek erbij. [6] Op die manier geeft hij een duidelijk beeld van wat er belicht wordt in de publicatie. Hij staat namelijk stil bij een aantal hoofdstukken en geeft kort aan hoe die zich tot elkaar verhouden en hoe ze zijn veranderd ten opzichte van eerdere edities. Tot slot benoemt Harline kort enkele verbeterpunten.[7]

Harline richt zich in zijn recensie heel duidelijk op de inhoud van de publicatie en het huidige historische debat. Daarentegen is in Roelevink’s recensie het verschil niet duidelijk tussen wat haar eigen visie op het onderwerp is en wat de auteur in het boek heeft behandeld. Bovendien komt ze met een aantal niet beargumenteerde conclusies, zoals: ‘The Dutch province of Noord-Brabant has long suffered from an inferiority complex’.[8]

Concluderend kunnen we zeggen dat Harline in dit geval de meest nuttige recensie heeft geschreven voor een historicus die wil beoordelen of hij de betreffende publicatie kan gebruiken voor zijn onderzoek. Harline weet een omvangrijke editie kort en krachtig toe te lichten op een wijze die aan de lezer de toegevoegde waarde voor diens onderzoek duidelijk maakt, zonder dat hij daarbij teveel met zijn eigen visie op het onderwerp bezig is. Hij geeft een verdeling van de hoofdstukken en een globale indruk van de inhoud, waarbij hij in voldoende mate benoemt hoe de publicatie zich verhoudt tot het historisch debat.

Bronnen

[1] Craig Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation by Bamji, Janssen and Laven (review)’, Renaissance Quarterly, 67:1 (2014) 291-292; Johanna Roelevink, ‘Reformatie in Brabant: Protestanten en katholieken in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, 1523-1634 by van Gulp (review)’, Renaissance Quarterly, 67:3 (2014) 1030-1031.
[2] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031.
[3] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 292.
[4] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291; Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031.
[5] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031; Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 292.
[6] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1030-1031; Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291.
[7] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291.
[8] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1030.

De agon-gedachte: de dood of de gladiolen

De oude Grieken associëren we vandaag de dag vaak met sport en atletiek. Ze waren immers de grondleggers van de Olympische spelen. Het ging de Grieken echter niet alleen om sport. De grote drang tot competitie kwam in vele vormen tot uiting. Schoonheidswedstrijden, dichtwedstrijden, danswedstrijden, zangwedstrijden, pottenbakkerswedstrijden en zelfs wolkamwedstrijden.[1][2] De competities waren vaak gekoppeld aan een tempel. Zelfs een begrafenis was aanleiding voor competitie, neem bijvoorbeeld de paardenrace in Homerus’ Ilias.[3] Deze competitiedrang kunnen we vatten met de term agon-gedachte.[4]

Eerzucht was een belangrijke drijfveer. Er bestonden geen teams, het ging om de individuele eer van de atleet en daarmee ook die van zijn voorvaderen en thuisland. Zo beschreef Pindaros in het gedicht dat hij opdroeg aan een bokskampioen van het eiland Aigina de macht van de mythische koning Aiakos van Aigina, waarmee de prestatie van de atleet met de prestaties van zijn eiland in verband wordt gebracht.[5] Bovendien werden er enkel persoonlijke records bijgehouden, zoals hoe vaak een bepaalde atleet had gewonnen.[6]

Voor de Grieken ging het enkel om de eerste plaats. Je was winnaar of verliezer.[7] Na afloop van de eerdergenoemde paardenrace wil Achilles de verliezer uit medelijden een troostprijs geven. De eigenaar van het paard dat tweede was geworden wordt echter woedend en wil zijn prijs niet af staan, de ander heeft immers verloren.[8]

Deze mentaliteit van alles of niets zag je ook terug in de oorlogvoering. Men streefde naar een overwinning of een dood op het slagveld.[9] In Thucydides’ beschrijvingen van de Peloponnesische Oorlog plegen de inwoners van een onderworpen stad liever zelfmoord dan dat ze ter dood veroordeeld worden.[10] Dat het principe van de overwinning of de dood voor zowel sport als oorlog gold blijkt uit inscripties die op graven zijn gevonden waar de atleet of soldaat Zeus vraagt om de overwinning of de dood.[11]

Uit deze gedachte kwam een sterk eergevoel voort met een afkeer voor valspelen. Een wedstrijd of man-tot-man gevecht werd namelijk gezien als door de goden bepaald.[12] Pindaros noemde Olympia immers de koningin van de waarheid en riep de goden aan in zijn overwinningsgedichten.[13] Uit Thucydides beschrijvingen van het moreel verval ten tijde van burgeroorlogen blijkt zowel dat hij de handelingen van de beschreven personen veroordeelt door hun oneervolle handelswijzen maar ook dat hij hun eerzucht ziet als voortgekomen uit een onbedwingbare hartstocht.[14]

Samenvattend kunnen we de agon-gedachte definiëren als een prestatiedrang voortgekomen uit eerzucht, waarbij het draait om het overtreffen van anderen. Naast individuele eer ging het hierbij ook om de familie en de afkomst. Uit de agon-gedachte kwam een sterk eergevoel en een verheerlijking van prestatie voort.[15]

Bronnen

[1] W. Burkert, Greek Religion. Archaic and Classical (Oxford 1985) 105.
[2] M. Golden, Sport and Society in Ancient Greece (Cambridge 1998) 28-29.
[3] Homerus, Ilias, Boek 23 468-513, 358-359.
[4] M.I. Finley en H.W. Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid (2e druk; Amsterdam 2004) 41-44.
[5] Pindarus, Achtste Olympische Ode, P. Lateur vert., 1-4.
[6] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[7] Ibidem.
[8] Homerus, Ilias, Boek 23 468-513, 358-359.
[9] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[10] Thucydides, De Peloponnesische Oorlog, M.A. Schwartz vert. (1986) Boek 3.82-83, 184-187.
[11] W.E. Sweet, Sport and Recreation in Ancient Greece (New York 1987) 118-119.
[12] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[13] Pindarus, Achtste Olympische Ode.
[14] Thucydides, De Peloponnesische Oorlog.
[15] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid; Golden, Sport and Society in Ancient Greece.