Het archief als het domein van de historicus: reflectie op de methode van Leopold von Ranke

Wetenschapshistoricus Kasper Risbjerg Eskildsen heeft Leopold von Rankes methode onderzocht in zijn artikel ‘Leopold Ranke’s Archival Turn: Location and Evidence in Modern Historiography’. Hij onderzoekt de manier waarop Ranke tot zijn methode is gekomen en hoe zijn ervaringen in het archief zijn geschiedwerk en identiteit hebben beïnvloed. Moderne historici hebben kritiek op Rankes werk vanwege zijn vertelstrategieën en partijdigheid. Volgens Eskildsen wordt er te weinig aandacht besteed aan Rankes methodiek en hoe deze gevormd is door politiek. Eskildsen betoogt dat Rankes ervaringen in het archief zowel zijn opvatting over de geschiedschrijving als zijn politieke stellingname voor de conservatieve machten van Oostenrijk en Pruisen hebben gevormd.

Leopold von Ranke (Wiehe, 21 december 1795 – Berlijn, 23 mei 1886)

Archiefonderzoek werd lang als inferieur gezien ten opzichte van analytische interpretatie, omdat het zich richt op het specifieke en niet het universele of wetmatige. Ranke reisde door Oostenrijk en Italië om archieven te bezoeken en schreef het boek ‘Ueber die Verschwörung gegen Venedig’. Opmerkelijk is dat hij concludeert dat Venetiaanse historici zich hebben gebaseerd op vervalste bronnen en hij zelf tot nieuwe inzichten kwam op basis van archiefmateriaal. Daarmee bewees hij dat productie van historische kennis alleen in het archief plaats kon vinden en daarbuiten slechts bestaande kennis werd herhaald.

Het doel van Rankes boek was om de lezer uit te leggen hoe hij nieuwe kennis heeft opgedaan in het archief. Dit leidde de aandacht af van hoe afhankelijk de lezer is van zijn betrouwbaarheid. Uit brieven van Ranke blijkt dat lokale omstandigheden een grote rol spelen bij archiefonderzoek. Veel documenten waren vertrouwelijk omdat staten deze als van groot politiek belang zagen. Daarom waren connecties, zoals Ranke had met het Weense hof en Pruisische diplomaten, erg belangrijk om toegang tot documenten te verkrijgen. Het gevolg van de sterke band die hierdoor met de connecties werd opgebouwd was dat Ranke loyaliteitsgevoelens tegenover hen kreeg. Dat had invloed op keuzes die hij in zijn onderzoek maakte.

Zijn methode kan gezien worden als een reactie op de politiek van de verlichting. Door de focus op politieke documenten wordt het volk namelijk gereduceerd tot een passieve massa. Politiek bepaalde welke documenten bewaard en getoond werden en dus bepaalde politiek ook resultaten van onderzoek. Door de top-down benadering met focus op geleidelijke veranderingen en continuïteit werd geschiedenis een instrument tegen radicale omwenteling. Daarmee stond het in dienst van de antirevolutionaire politiek van Pruisen. Rankes methode kon blijven voortbestaan omdat het werd aangepast aan de behoeften van liberale constitutionele staten. Geschiedenis werd het perspectief van ambtenaren en individuele actie werd gezien als onmogelijk.

Binnen de geschiedwetenschap zorgde de focus op het archief voor de opvatting dat geschiedschrijving alleen plaatsvind op basis van documenten. Daarmee kwam er strikte scheiding tussen geschiedenis en haar hulpwetenschappen en tussen de historie en de prehistorie. Volgens Eskildsen zijn Rankes ideeën over het belang van archiefonderzoek, rationele reconstructie en de voorkeur voor documenten recent weer prominenter geworden. Daarom is het belangrijk om ons bewust te zijn van de implicaties van context bij ons bronnenonderzoek. De ordening in een archief is niet objectief en de keuzes van de historicus zijn dat ook niet. Eskildsens analyse van de werkwijze van Ranke maakt duidelijk dat er per definitie politieke implicaties zijn. Om deze implicaties in ons onderzoek te beperken is het van belang ons te verdiepen in de context van het archiefmateriaal en ons niet te beperken tot diplomatieke documenten, maar zoveel mogelijk verschillend materiaal te gebruiken.

Literatuur
Eskildsen, K.R., ‘Leopold Rankes archival turn. Location and evidence in modern historiography’, Modern Intellectual History 5 (2008) 425-453.

Het Rijke Roomse Leven op het witte doek

De periode tussen 1860 en 1960 in het Katholieke zuiden van Nederland wordt vaak aangeduid met ‘het Rijke Roomse Leven’. In dit artikel wil ik stilstaan bij representaties van het Katholicisme en het leven in de Nederlandse provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland en België in het algemeen. Ook besteed ik aandacht aan Nederlandse films over het katholicisme van elders.

Daens (1992)

Daens van Stijn Coninx verteld het verhaal van priester Adolf Daens. Aan het eind van de 19e eeuw heerst er grote armoede onder de Vlaamse fabrieksarbeiders van Aalst. Kinderen sterven van de honger en aan ongelukken in de fabriek. Daens zet zich in voor de situatie van de armen. Tot ongenoegen van de Franse fabriekseigenaren en de Katholieke partij, waarop Daens de eerste Christen-democratische partij van België opricht. De Kerk is niet blij met de onderlinge strijd tussen Christen-democraten en de Katholieke partij.

Dit is waarschijnlijk de beste film die hier behandeld wordt. Op meesterlijke wijze vertolkt Jan Decleir de nobele priester Daens, die het tegen wil en dank opneemt voor de Vlaamse fabrieksarbeiders. Helemaal positief over de behoudende kerk is de film niet, maar deze priester is ondubbelzinnig de held van het verhaal. Het tijdsbeeld is bovendien bijzonder indrukwekkend en historisch getrouw.

De Partizanen (1995)
Deze Limburgse  mini-serie van Theu Boermans verteld over het lokale verzet in de omgeving van Venlo. Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog komt de bevrijding steeds dichterbij. De verzetsgroep Limburg-Noord uit Baarlo (nabij Venlo) besluit om zoveel mogelijk Duitsers buiten strijd te stellen en gevangen te nemen tot de Amerikanen komen. Maar dan mislukt Arnhem en moeten ze de gevangenen steeds langer vasthouden. Aanvankelijk verzetten de gevangen zich niet, maar dat veranderde allemaal na de komst van de jonge SS’er Beck. 50 jaar later worden de overlevende verzetsleden en één Duitse soldaat door een onderzoeksjournalist ondervraagt…


Op indrukwekkende wijze weet Boermans deze lokale geschiedenis tot leven te wekken. Het Limburgs dialect, de boerderijen, de heiligenbeelden-fabriek en het feit dat de gevangen Duitse soldaten zelfs een speciale mis bij kunnen wonen tonen aan dat dit een film van het Rijke Roomse Leven is.

De Tweeling (2002)
Deze sterke Nederlandse oorlogsfilm van Ben Sombogaart is gebaseerd op het boek van Tessa de Loo. Na de dood van hun ouders groeien de tweelingzusjes Lotte en Anna Bamberg gescheiden op. Anna blijft in Duitsland en moet haar hele leven hard werken voor anderen. Lotte verhuist naar een Nederlandse familie die haar op het eerste gezicht alle kansen biedt. Aanvankelijk missen de zussen elkaar en proberen ze alles om weer bij elkaar te zijn. Omstandigheden en de tijd waarin ze leven zorgen echter voor obstakels die groter zijn dan de band die ze altijd voelen. Anna trouwt met een SS-officier die aan het einde van de oorlog sneuvelt. Lottes verloofde wordt vermoord in Auschwitz. Vijftig jaar na hun laatste, pijnlijke ontmoeting probeert Anna nog één keer in contact te komen met haar tweelingzus.

Het verhaal over het Duitse zusje laat zien hoe het Katholieke leven er in bijvoorbeeld de regio Niederrhein moet hebben uitgezien tijdens de opkomst van het Nationaal-socialisme en de oorlog. Zij woonde namelijk bij ‘domme katholieke boeren’ volgens de pleegouders van haar protestantse Nederlandse zus. Ook deze film geeft een indrukwekkend tijdsbeeld.

De Bende van Oss (2011)
In de jaren dertig maakte de Bende van Oss, ook bekend als De bende van Toon de Soep, Zuid-Nederland onveilig. De bende pleegde een reeks overvallen en ettelijke moorden. De politie had het nakijken en de bendeleden groeiden uit tot volkshelden. Uiteindelijk werd de hulp ingeroepen van een brigade van de marechaussee. De marechaussee kwam echter veel meer op het spoor dan ordinaire misdaad: corruptie door de overheid, verkrachting door een bekende fabrikant en kindermisbruik door pastoors. Via de kreeg de zaak landelijke bekendheid. De gewelddadige botsingen tussen het Osse proletariaat, de katholieken en de protestanten leidden in 1939 tot een conflict tussen Noord en Zuid, tussen katholieken en de rest van Nederland. Voor de katholieke minister van Justitie betekende De zaak Oss het einde van zijn politieke loopbaan.

De film is losjes gebaseerd op het boek van Martin Schouten. Ondanks het feit dat regisseur André van Duren uit het Brabantse Reek komt valt op hoe negatief de benadering van het Brabantse leven is. Iedereen is Oss is een boef en alle katholieken worden als schijnheilig belicht. Uit alle films is dit dan ook verreweg de meest negatieve representatie. Maar goed, ze laten ook zien dat de protestantse Marechaussees NSB’ers waren en de “katholieke boeven” uit Oss in het verzet zaten tijdens de oorlog.

Hemel op Aarde (2013)
1979, Limburg. Bart is een misdienaar die alles zo goed mogelijk wil doen. Dan komen er Belgen uit de grote stad in het dorp komen wonen. Bart’s moeder en Onkel Sjef (die pastoor is) waarschuwen Bart nog dat hij niet met dit soort mensen moet omgaan. Maar het is al te laat, want Bart is bevriend geworden de brutale Peter en tot over zijn oren verlieft op zijn knappe zus Moniek. Naarmate Bart meer omgaat met Moniek gaat het steeds slechter met zijn gezin en hij denkt dat god hem wil straffen. Als Moniek steeds zieker wordt, wordt Bart’s geloof op de proef gesteld.

Deze film van regisseur Pieter Kuijpers heeft muziek van Rowwen Hèze en is heerlijk nostalgisch. De pastoor Onkel Sjef (gespeeld door Huub Stapel) is een bijzonder strenge priester die heel erg hamert op de zonde (opmerkelijk gezien de film zich in de hoogtijdagen van het modernisme afspeelt). De manier waarop Bart goed probeert te doen er worstelt met zijn loof is bijzonder goed verbeeld.

Hoewel de film negatief is over de alomaanwezigheid van de Kerk in het dagelijks leven en de leer als hypocriet verbeeld (met name Onkel Sjef komt er slecht van af), maakt de nostalgie veel goed. Bijzonder prachtig was ook het einde in het Maria-bedevaartsoord.

Limburgia (2017)

Limburgia is een expirimentele film van Noël Lozen. Willie (60) krijgt zijn jaarlijkse kans om koning van Schutterij Limburgia te worden. Hij zet alles op alles om eindelijk deze belangrijke eretitel te bemachtigen. Maar ondanks Willies onvermoeibare voorbereidingen gaat op de grote dag alles mis. Wanneer zijn vrouw Fien komt te overlijden, slaat Willie definitief door. Als een waar eenmansleger verdedigt hij het schutterslokaal tegen de verbouwingsplannen van de burgemeester terwijl hij verbeten probeert zijn vrouw postuum tot koningin te kronen.

Deze art-film gaat over het vastklampen aan de (zuid-)Limburgse identiteit en de restanten van het verenigingsleven van het Rijke Roomse Leven.

Overige films (moeten nog behandeld worden)
– Dorp aan de Rivier (1958)
– Vaarwel (1973)
– Dagboek van een Herdershond (1978-1980)
– Het Verdriet van België (1995)

Zaaien op onvruchtbare grond? Sporen van het boerenleven van de late Middeleeuwen

Onderzoek naar het boerenleven van de late middeleeuwen lijkt onbegonnen werk. Niet alleen zijn bronnen bijzonder schaars, de beschikbare bronnen bevatten vaak ook geen getrouwe weergave van het boerenleven.[1] Ik betoog dat historici het best met deze problemen om kunnen gaan door altijd meerdere bronnen te gebruiken en verschillende typen bronnen elkaar te laten aanvullen.

Representaties van het boerenleven zijn terug te vinden in middeleeuwse literatuur en afbeeldingen uit verluchte manuscripten, altaarstukken en houtgravures. Het probleem van deze bronnen is dat ze door de elite en – met uitzondering van sommige altaarstukken – uitsluitend voor de elite zijn vervaardigd. Het doel was bovendien niet om een getrouwe weergave te geven van het boerenleven. Zo werden boeren bijvoorbeeld vaak gebruikt als positief of negatief voorbeeld en zodoende zeggen de bronnen weinig over echte boeren. De gekleurdheid van deze bronnen betekent echter niet dat ze volstrekt nutteloos worden. Een satirische representatie of karikatuur moest namelijk wel herkenbaar zijn, zodat de lezer of aanschouwer begreep dat het om een boer ging.[2]

Een voorbeeld uit de Lage Landen is het beroemde getijdenboek Les Très Riches Heures du duc de Berry van de Gebroeders Van Lymborch. Boeren werden hier gebruikt als karikatuur en om te spiegelen met de rijkdom aan het hof.[3] Het getijdenboek geeft echter wel inzicht welke werkzaamheden boeren in een bepaald seizoen verrichtten. In combinatie met archeologische vondsten en normatieve bronnen kan het getijdenboek ook een bron zijn voor respectievelijk de werktuigen en de kleding van boeren in deze periode.[4]

De Gebroeders van Lymborch, Les Très Riches Heures du duc de Berry,  Maart.

Bij het gebruik van economische gegevens lopen historici ook tegen problemen aan. De meeste gegevens gaan namelijk over heerlijke landerijen en kloosterdomeinen en niet over de opbrengsten van vrije boeren en gemeenschappelijke gronden. Ben Dodds heeft getracht dit probleem op te lossen door tiendenregisters (waar de volledige opbrengst in is opgenomen) te vergelijken met opbrengsten van heerlijke landerijen. Dit deed hij voor meerdere plaatsen in Zuid-Engeland, om zo betrouwbare conclusies te kunnen trekken.[5]

Archeologie vormt op veel van deze problemen een uitzondering en geeft ons betrouwbare informatie over bijvoorbeeld werktuigen en woningen. Archeologie heeft echter beperkingen. Vondsten bevatten namelijk alleen informatie over een beperkt gebied en op basis van vondsten alleen is ook weinig te zeggen over de toepassing.[6] Archeoloog Antoinette Huibers maakte een reconstructie van het twaalfde-eeuwse boerenerf in het huidige Noord-Brabant. Hiervoor bracht zij opgravingen van vierenvijftig compleet teruggevonden archeologische boerenerven in de regio in verband met studies over sociologie, antropologie en historische huisbouw. Daarmee heeft zij aannemelijk kunnen maken dat het boerenerf was opgedeeld in een apart deel voor mannelijk en voor vrouwelijk werk.[7]

Bronnen zoals literatuur, kunst, wetgeving en economische gegevens bevatten op zichzelf dus weinig betrouwbare informatie over het leven van gewone boeren. Ook archeologie op zichzelf brengt beperkingen in interpretatie met zich mee. Enkel wanneer meerdere bronnen met elkaar in verband worden gebracht, kan een historicus betrouwbare inzichten verkrijgen over het leven van boeren in de late middeleeuwen. Op die manier kan het probleem van schaarse, onbetrouwbare of ontoereikende bronnen het best worden overkomen.

 

Literatuurlijst

Alexander, J., ‘Labeur and Paresse. Ideological Representations of Medieval Peasant Labor’, The Art Bulletin 72:3 (1990) 436-452.

Dodds, B., ‘Demesne and Tithe. Peasant Agriculture in the Late Middle Ages’, The Agricultural History Review 56:2 (2008) 123-41.

Huijbers, A.M.J.H., Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied (Amsterdam 2007).

Jaritz, G., ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages. “Image” and “Reality”’, in: D. Sweeny red., Agriculture in the Middle Ages. Technology, practice and representation (Philadelphia 1995) 163-85.

 

[1] Gerhard Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages: “Image” and “Reality”’, in: Del Sweeny (red.), Agriculture in the Middle Ages: Technology, practice and representation (Philadelphia 1995) 163-85.

[2] Ibidem.

[3] Jonathan Alexander, ‘Labeur and Paresse. Ideological Representations of Medieval Peasant Labor’, The Art Bulletin 72:3 (1990) 436-452.

[4] Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages’.

[5] Ben Dodds, ‘Demesne and Tithe. Peasant Agriculture in the Late Middle Ages’, The Agricultural History Review 56:2 (2008) 123-41.

[6] Jaritz, ‘The Material Culture of the Peasantry in the Late Middle Ages’.

[7] Antoinette Huijbers, Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied (Amsterdam 2007).

 

Het sublieme en het vulgaire: de Hallé concerten van Manchester

In zijn artikel The Sublime and the Vulgar bespreekt Simon Gunn de invloed van klassieke concerten op de opkomst van burgerlijke cultuur. Voorheen is hier nog geen onderzoek naar gedaan omdat muziek los van debatten over burgerlijke cultuur werd behandeld in muziekgeschiedenis. Als casus gebruikt Gunn de door dirigent Charles Hallé opgezette concerten in Manchester vanaf 1850. Op basis van eigentijdse kranten en eerdere onderzoeken van vooraanstaande cultuurhistorici trekt Gunn uiteindelijk de conclusie dat de Hallé concerten hebben geleid tot een bepaalde gedragscode onder de middenklasse en een leer van esthetiek en moraal waarbij een zeer duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen hoge en lage cultuur. Klassieke muziek was een essentieel onderdeel van de burgerlijke cultuur geworden en de concerten een belangrijke gelegenheid om status te kunnen tonen en te socialiseren.

Charles Hallé

Voordat Hallé’s concerten waren geïntroduceerd werden klassieke en populaire muziek door elkaar heen gespeeld in concertzalen en was er een sterke scheiding tussen de volkse Music Hall en elitaire muziekclubs waar je een abonnement voor nodig had. Hallé zou daar, gemotiveerd door een liberaal vrije markt ideaal, commercieel opportunisme en het doel om het publiek  ‘muzikaal op te voeden’, verandering in gaan brengen, betoogt Gunn. Om dit te bewerkstelligen professionaliseerde Hallé het orkest en opende hij de verkoop van kaartjes tegen een lage vaste prijs, waardoor de concerten toegankelijk werden voor een breed publiek.

De concerten waren echter nog steeds voornamelijk een aangelegenheid voor de midden klasse en de elite. Gunn verklaard dit door stijgende prijzen, een beperkt aantal goedkope zitplaatsen en het feit dat de concerthal winst maakte op seizoenkaarten. Voor de midden klasse en de elite werden concerten een gelegenheid om zichzelf te profileren. Dit gebeurde volgens Gunn doormiddel van de gedifferentieerde zitplaatsen en de kleding waarmee een verschil in sociale status zichtbaar werd. Naast etiquette over zitplaatsen en kleding waren er ook normen voor het gedrag van de bezoekers. Zo was stilte tijdens concerten een vereiste voor de eerbiedwaardigheid als publiek en de eerbied tegenover muziek als kunstvorm.

Volgens Gunn was de stilte-etiquette slechts een onderdeel van Hallé’s grotere doel om het publiek het verschil tussen klassieke en populaire muziek bij te brengen. Orkestrale werken zoals die van Beethoven en de Duitse school werden gezien als hoge kunst. Concerten met diverse muziekstukken, waaronder ballades, bleven echter nog enige tijd voorkomen. Naast het formeren van een repertoire van klassieke muziek ontstond er ook een neoromantische muzikale esthetiek. Echte muziek moest als kunst worden gezien en emoties overbrengen, waarmee het zich onderscheidde van de populaire ‘achtergrondmuziek’. Muziekcritici speelde volgens Gunn een belangrijke rol bij het verspreiden van visies op esthetiek. Het gevolg was dat populaire muziek steeds meer als inferieur en vulgair werd gezien en er een grote distinctie tussen de lage cultuur van de volkse Music Hall en de hoge cultuur van Concert Hall ontstond.

Tot slot maakt Gunn nog enkele kanttekeningen. Zo was er altijd al een distinctie tussen hoge en lage cultuur, alleen nu met scherpere esthetische en morele classificatie. Gunn gaat in tegen Richard Sennet’s theorie dat de stilte-etiquette een teken was van onzekerheid van de elite tegenover de kunstenaar. Hij sluit zich aan bij James Johnson en gebruikt de casus van Manchester als voorbeeld van de elite die de concertgebouwen gebruikt om zichzelf met etiquette en eerbiedwaardigheid te onderscheiden. Met als gevolg conformiteit en sociale ongelijkheid. Klassieke concerten ontwikkelde echter niet geïsoleerd maar in een breder kader van stedelijke cultuur, betoogt Gunn. Omdat de concerten van Hallé in Manchester een plaats waren om burgerlijke trots uit te dragen werden zij volgens Gunn een essentieel onderdeel van de hoge cultuur van de burgerij.

Bronnen

Gunn, S., ‘The Sublime and the Vulgar: the Hallé concerts and the constitution of ‘high culture’ in Manchester c. 1850-1880’, Journal of Victorian Culture 2:2 (1997) 208-228.

Bronnen over het leven van de profeet Mohammed

De levens van de stichters van de wereldreligies blijven voor historici vaak een mysterie. We weten echter wel meer over het leven van Mohammed dan over dat van Jezus Christus. Onder het merendeel van de historici bestaat er geen twijfel dat de profeet Mohammed daadwerkelijk geleefd heeft. Bewijs hiervoor is een Griekse tekst uit de vroege zevende eeuw waarin werd gesproken over een valse profeet onder de Saracenen. Toch blijft het erg moeilijk voor historici om met zekerheid wat over het leven van Mohammed te zeggen. De oorzaak daarvan zijn de bronnen die we tot onze beschikking hebben.[1]

Rashid-al-Din Hamadani, Mohammed en de Engel Gabriël in Jami’ al-tawarikh (1307).

De eerste islamitische literatuur over Mohammed komt uit de late achtste eeuw. Ruim vijf generaties na zijn dood omstreeks 632. Ook munten en inscripties vermelden de profeet pas vanaf vijftig jaar na zijn dood. Zijn boodschap en de verhalen over zijn leven werden in de vorm van orale overlevering doorgegeven. Hoewel het verloop van de overlevering vrij goed is gedocumenteerd verandert de inhoud van zulke overleveringen makkelijk door veranderende omstandigheden.[2] Bovendien heeft er bij het verzamelen en opschrijven van de orale verhalen ook redactie en selectie plaatsgevonden.[3]

De Koran geeft ons weinig informatie over het leven van de profeet. Uitspraken van Mohammed worden beschreven, maar de context waarin deze zijn gedaan ontbreekt. Het taalgebruik is daarnaast vaak obscuur en vaag.[4] Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken van ‘de gelovigen’ en ‘de verdorvenen’ zonder dat duidelijk is naar wie deze termen verwijzen.[5]

Een groot probleem met de islamitische teksten is dat ze zijn geschreven met een bepaald doel voor ogen. Zo is het doel van de uitspraken en daden van Mohammed in de Hadith het legitimeren van islamitische wetten en doctrines. Dit is ook van toepassing op de overleveringen van het leven van Mohammed die door vroege islamitische schrijvers zijn verzameld.[6] Het doel van dit soort verhalen is om de interpretatie van bepaalde Koranverzen te verduidelijken. Ibn Ishaak’s verhaal ‘de grote leugen’, waarin Aïsja valselijk wordt beschuldigd van overspel, bied bijvoorbeeld context voor de Koranverzen in soera 24 over de consequenties van laster en overspel.[7] In dit verhaal gebruikt de Soenniet Ishaak bovendien ook de persoon van Ali als een van de lasteraars om het Sjiisme minder legitimiteit te geven.[8]

Tot slot is er weinig bekend over de geografische context van de boodschap van Mohammed. Over het midden van het Arabisch schiereiland is in die tijd niets geschreven door de Perzen of de Byzantijnen. Ook zijn er geen niet-islamitische bronnen over het Mekka van voor de Islamitische verovering. Wat zou kunnen wijzen op een door doctrine gemotiveerde, latere keuze voor Mekka als locatie van de openbaringen van Mohammed.[9]

We weten met zekerheid dat Mohammed geleefd heeft en in grote lijnen ook wat zijn boodschap was, maar we weten vrijwel niets over de context van zijn boodschap met enige zekerheid. De grote afstand in chronologie tussen de beschreven gebeurtenissen en het opschrijven van de verhalen betekent dat we als historici voorzichtig moeten zijn met het trekken van conclusies. Het feit dat alle teksten zijn geschreven met een ander doel dan het feitelijk documenteren van het leven van Mohammed is daarvoor een van de belangrijkste oorzaken.[10]

Bronnen

[1] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’, Open Democracy, (geraadpleegd 23 februari 2019).
[2] Ibidem.
[3] Wim Raven, ‘Biography of the Prophet’, Encyclopedia of Islam, (geraadpleegd 23 februari 2019).
[4] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[5] De Koran: Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands, vert. Fred Leemhuis (Houten 1989) 238-239.
[6] Wim Raven, ‘Biography of the Prophet’.
[7] De Koran, 238-239.
[8] Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven (Amsterdam 2000) 179-186;
Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[9] Patricia Crone, ‘What do we actually know about Mohammed’.
[10] Ibidem.

Polybius: profeet van het eind van de Romeinse Republiek

De Historíai van Polybius worden vaak gezien als een verheerlijking van de Romeinse staatsinrichting. Hierdoor heeft Polybius in de ogen van sommigen het imago van een collaborateur gekregen.[1] Uit zijn beschrijving van de Romeinse staatsvorm blijkt weliswaar dat hij deze staatsvorm als superieur ziet.[2] De Romeinse staatsvorm is volgens hem echter niet uitgesloten van anakyklosis, het cyclische model dat hij omschrijft.[3] Daarmee geeft hij toe dat de Romeinse staatsvorm niet perfect is en voorspelt hij de val van de Romeinse republiek en de overgang naar het keizerrijk.

Thomas Cole, Destruction (1836).

De kringloop van staatsvormen wordt volgens Polybius door middel van een natuurlijk proces doorlopen.[4] Volgens Polybius is dit natuurlijke proces in het bijzonder van toepassing op de Romeinse staatsvorm. Deze is volgens hem namelijk: ‘van het begin af op natuurlijke wijze gevormd en gegroeid’.[5]

Hij benoemt daarnaast expliciet dat de door hem beschreven natuurlijke orde niet enkel inzicht kan geven in het ontstaan van de Romeinse staatsvorm, maar ook in de toekomst, namelijk: ‘de verandering in omgekeerde richting die hierop zal volgen’. Juist omdat de Romeinse staatsvorm zich altijd op natuurlijke wijze heeft ontwikkeld zal deze dat ook blijven doen.[6]

Volgens het cyclische model van Polybius zal een democratie ten val komen wanneer er een jacht op ambten ontstaat en het volk gecorrumpeerd wordt. Als gevolg hiervan zal er een geweldsheerschappij ontketend worden en het recht van de sterksten worden nageleefd. Uit deze omstandigheden zal een ambitieuze en onverschrokken leider opstaan en er ontstaat opnieuw een alleenheerschappij die weer kan uitgroeien tot een monarchie waarin de heerschappij op basis van vrijwilligheid wordt verleend.[7]

Tijdens de late Republiek vonden steeds meer politieke rellen plaats in Rome. De conflicten tussen de populares en de optimates zouden leiden tot een burgeroorlog. Hierin zouden militaire leiders steeds machtiger worden. De ambitieuze generaal Julius Caesar vergaarde veel invloed en werd verkozen tot dictator en consul voor het leven, een ontwikkeling richting de “vrijwillig” toegekende alleenheerschappij.[8]

Uiteindelijk zou Augustus de facto alleenheerser worden door meerdere ambten tegelijk aan te nemen en de staatsindeling te hervormen. De senaat bleef bestaan en enige invloed hebben, de macht was echter niet meer in handen van het volk en een groep aristocraten, maar van de heerser die later keizer genoemd zou gaan worden.[9]

Concluderend kan worden vastgesteld dat Polybius in de tweede eeuw voor Christus al de val van de Romeinse republiek en de overgang naar het keizerrijk heeft voorspeld. Het proces dat hij beschrijft, waarin een democratie vervalt en weer terugkomt op een alleenheerschappij, vertoond grote gelijkenissen met de geschiedenis van de late republiek en zodoende kan Polybius worden gezien als een visionair. s

Bronnen

[1] A.M. Eckstein, Moral vision in the Histories of Polybius (Berkeley 1995) 194-195; D. Inglis en R. Robertson, ‘From republican virtue to global imaginary: changing visions of the historian Polybius’, History of the Human Sciences 19:1 (2006) 1-9.
[2] Polybius, Wereldgeschiedenis, vert. W. Kassies (Amsterdam 2007) 6.10.14.
[3] Ibidem, 6.9.12-6.9.14.
[4] Ibidem, 6.7.1-6.9.10.
[5] Ibidem, 6.4.13.
[6] Ibidem, 6.9.12-6.9.14.
[7] Ibidem, 6.9.4-6.9.9, 6.4.2.
[8] J.P. McKay e.a., A History of Western Society (12e editie; Boston 2017) 141-149.
[9] Ibidem, 154-155.

Met kritische blik: recenseren van publicaties over de Contrareformatie

Op een kritische manier kijken naar bronnen is een belangrijk onderdeel van de geschiedwetenschap. Vandaar dat het recenseren van publicaties erg zinvol is. Door middel van recensies kunnen we namelijk beoordelen of een publicatie relevant is voor een onderzoeksvraag. Het is van belang dat een recensie voldoende aspecten van de publicatie behandeld. Om dit te illustreren wordt in dit essay een vergelijking gemaakt tussen twee recensies van publicaties over de Contrareformatie. Namelijk Johanna Roelevink’s recensie van Reformatie in Brabant en Craig Harline’s recensie van The Ashgate Research Companion to the Counter-Refomation.

Vernieling van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen op 20 augustus 1566.

Om te beginnen komt de vraagstelling van de publicatie kort aanbod. Zowel Roelevink als Harline geven duidelijk een onderwerp en een afbakening aan in tijd, plaats en historisch domein. [1] Over de methode die is toegepast wordt vooral de invalshoek behandeld. Er wordt echter weinig gezegd over het brongebruik. Al geeft Roelevink wel aan dat de bronnen volgens haar op een goede manier zijn gebruikt.[2]

Harline geeft aan hoe de publicatie zich verhoudt tot het historisch debat door aandacht te besteden aan hoe de auteurs omgaan met discussies rond de term Contrareformatie. [3] Zowel Roelevink als Harline benoemen wat de publicatie toevoegt aan de kennis over het onderwerp en hoe de visie van de auteurs aansluit op die van historici die zich met het zelfde onderwerp bezighouden.[4] Bij het formuleren van een eigen visie geeft Roelevink voornamelijk aandacht aan het perspectief waaruit die visie tot stand is gekomen, waar Harline ook aandacht geeft aan de argumentatie. [5]

Casussen worden ook besproken. Roelevink beschrijft de casussen in de vorm van een doorlopend verhaal. Harline betrekt echter de structuur van het boek erbij. [6] Op die manier geeft hij een duidelijk beeld van wat er belicht wordt in de publicatie. Hij staat namelijk stil bij een aantal hoofdstukken en geeft kort aan hoe die zich tot elkaar verhouden en hoe ze zijn veranderd ten opzichte van eerdere edities. Tot slot benoemt Harline kort enkele verbeterpunten.[7]

Harline richt zich in zijn recensie heel duidelijk op de inhoud van de publicatie en het huidige historische debat. Daarentegen is in Roelevink’s recensie het verschil niet duidelijk tussen wat haar eigen visie op het onderwerp is en wat de auteur in het boek heeft behandeld. Bovendien komt ze met een aantal niet beargumenteerde conclusies, zoals: ‘The Dutch province of Noord-Brabant has long suffered from an inferiority complex’.[8]

Concluderend kunnen we zeggen dat Harline in dit geval de meest nuttige recensie heeft geschreven voor een historicus die wil beoordelen of hij de betreffende publicatie kan gebruiken voor zijn onderzoek. Harline weet een omvangrijke editie kort en krachtig toe te lichten op een wijze die aan de lezer de toegevoegde waarde voor diens onderzoek duidelijk maakt, zonder dat hij daarbij teveel met zijn eigen visie op het onderwerp bezig is. Hij geeft een verdeling van de hoofdstukken en een globale indruk van de inhoud, waarbij hij in voldoende mate benoemt hoe de publicatie zich verhoudt tot het historisch debat.

Bronnen

[1] Craig Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation by Bamji, Janssen and Laven (review)’, Renaissance Quarterly, 67:1 (2014) 291-292; Johanna Roelevink, ‘Reformatie in Brabant: Protestanten en katholieken in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, 1523-1634 by van Gulp (review)’, Renaissance Quarterly, 67:3 (2014) 1030-1031.
[2] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031.
[3] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 292.
[4] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291; Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031.
[5] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1031; Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 292.
[6] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1030-1031; Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291.
[7] Harline, ‘The Ashgate Research Companion to the Counter-Reformation’, 291.
[8] Roelevink, ‘Reformatie in Brabant’, 1030.

De agon-gedachte: de dood of de gladiolen

De oude Grieken associëren we vandaag de dag vaak met sport en atletiek. Ze waren immers de grondleggers van de Olympische spelen. Het ging de Grieken echter niet alleen om sport. De grote drang tot competitie kwam in vele vormen tot uiting. Schoonheidswedstrijden, dichtwedstrijden, danswedstrijden, zangwedstrijden, pottenbakkerswedstrijden en zelfs wolkamwedstrijden.[1][2] De competities waren vaak gekoppeld aan een tempel. Zelfs een begrafenis was aanleiding voor competitie, neem bijvoorbeeld de paardenrace in Homerus’ Ilias.[3] Deze competitiedrang kunnen we vatten met de term agon-gedachte.[4]

Eerzucht was een belangrijke drijfveer. Er bestonden geen teams, het ging om de individuele eer van de atleet en daarmee ook die van zijn voorvaderen en thuisland. Zo beschreef Pindaros in het gedicht dat hij opdroeg aan een bokskampioen van het eiland Aigina de macht van de mythische koning Aiakos van Aigina, waarmee de prestatie van de atleet met de prestaties van zijn eiland in verband wordt gebracht.[5] Bovendien werden er enkel persoonlijke records bijgehouden, zoals hoe vaak een bepaalde atleet had gewonnen.[6]

Voor de Grieken ging het enkel om de eerste plaats. Je was winnaar of verliezer.[7] Na afloop van de eerdergenoemde paardenrace wil Achilles de verliezer uit medelijden een troostprijs geven. De eigenaar van het paard dat tweede was geworden wordt echter woedend en wil zijn prijs niet af staan, de ander heeft immers verloren.[8]

Deze mentaliteit van alles of niets zag je ook terug in de oorlogvoering. Men streefde naar een overwinning of een dood op het slagveld.[9] In Thucydides’ beschrijvingen van de Peloponnesische Oorlog plegen de inwoners van een onderworpen stad liever zelfmoord dan dat ze ter dood veroordeeld worden.[10] Dat het principe van de overwinning of de dood voor zowel sport als oorlog gold blijkt uit inscripties die op graven zijn gevonden waar de atleet of soldaat Zeus vraagt om de overwinning of de dood.[11]

Uit deze gedachte kwam een sterk eergevoel voort met een afkeer voor valspelen. Een wedstrijd of man-tot-man gevecht werd namelijk gezien als door de goden bepaald.[12] Pindaros noemde Olympia immers de koningin van de waarheid en riep de goden aan in zijn overwinningsgedichten.[13] Uit Thucydides beschrijvingen van het moreel verval ten tijde van burgeroorlogen blijkt zowel dat hij de handelingen van de beschreven personen veroordeelt door hun oneervolle handelswijzen maar ook dat hij hun eerzucht ziet als voortgekomen uit een onbedwingbare hartstocht.[14]

Samenvattend kunnen we de agon-gedachte definiëren als een prestatiedrang voortgekomen uit eerzucht, waarbij het draait om het overtreffen van anderen. Naast individuele eer ging het hierbij ook om de familie en de afkomst. Uit de agon-gedachte kwam een sterk eergevoel en een verheerlijking van prestatie voort.[15]

Bronnen

[1] W. Burkert, Greek Religion. Archaic and Classical (Oxford 1985) 105.
[2] M. Golden, Sport and Society in Ancient Greece (Cambridge 1998) 28-29.
[3] Homerus, Ilias, Boek 23 468-513, 358-359.
[4] M.I. Finley en H.W. Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid (2e druk; Amsterdam 2004) 41-44.
[5] Pindarus, Achtste Olympische Ode, P. Lateur vert., 1-4.
[6] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[7] Ibidem.
[8] Homerus, Ilias, Boek 23 468-513, 358-359.
[9] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[10] Thucydides, De Peloponnesische Oorlog, M.A. Schwartz vert. (1986) Boek 3.82-83, 184-187.
[11] W.E. Sweet, Sport and Recreation in Ancient Greece (New York 1987) 118-119.
[12] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid.
[13] Pindarus, Achtste Olympische Ode.
[14] Thucydides, De Peloponnesische Oorlog.
[15] Finley en Pleket, Olympische Spelen in de Oudheid; Golden, Sport and Society in Ancient Greece.

De Reformatie was geen gebeurtenis maar een proces

Wanneer men het over de Reformatie heeft denkt men vooral aan gebeurtenissen in de 16e eeuw. Het spijkeren van de 95 stellingen van Luther wordt vaak als beginpunt gezien, maar die gebeurtenis heeft waarschijnlijk nooit plaatsgevonden.[1][2] Er is niet één enkel beginpunt aan te wijzen voor de Reformatie omdat het vooral een ontwikkeling over langere tijd is geweest. De Reformatie vond bovendien niet overal gelijktijdig plaats[3] en op sommige plaatsen ook onafhankelijk van elkaar. Zo had de Zwitserse hervormer Zwingli in dezelfde tijd vergelijkbare ideeën ontwikkeld onafhankelijk van Luther[4]. Hervormer Johannes Hus stichtte zelfs een onafhankelijke kerk in Bohemen een eeuw voor Luther zijn ideeën kenbaar maakte. [5] De eerste pogingen tot Reformatie vonden dus al plaats in de middeleeuwen.

Geromantiseerde uitbeelding van het verhaal dat Luther zijn “95 stellingen” op de deur van de slotkerk te Wittenberg gespijkerd zou hebben (Ferdinand Pauwels, 1872).

In de Renaissance kwam de ideologie van het Humanisme op. Humanisten hechtte grote waarde aan teksten uit de klassieke oudheid. Enerzijds werden ze gekenmerkt door de drang terug te gaan op de klassieken en anderzijds trokken ze juist bestaande kennis in twijfel[6]. Het Humanisme verspreidde zich vanuit Zuid-Europa naar Noord-Europa waar christelijke Humanisten de klassieke filosofie met het christelijke geloof probeerde te verenigen. De belangrijkste christelijke Humanist was Erasmus die door zijn observaties over het belang van Bijbelstudie en zijn wens de Bijbel toegankelijk te maken vaak wordt gezien als een voorloper van de hervormers. Erasmus was echter tegen een breuk met de kerk en vond dat hervormingen intern doorgevoerd moesten worden.[7][8]

Humanisten hadden grote invloed op het onderwijs van Europa. Filosofie en klassieke teksten gingen een prominente plaats innemen.[9] Omdat Europeanen grote honger naar kennis hadden ontstonden ook steeds meer universiteiten. In Zuid-Europa waren universiteiten vooral gericht op studies medicijnen en rechten, waar in Noord-Europa meer aandacht was voor theologie en kunsten. Als er in het zuiden al theologie werd gegeven was dat bovendien ook nog in kloosters waarin weinig uitwisseling bestond. In het noorden leefde studenten en professoren in campus-vorm met elkaar en bovendien was het gebruikelijk dat een student na zijn studie ergens les ging geven. Hierdoor vond het in het noorden veel uitwisseling plaats van nieuwe ideeën die aan de universiteiten ontstonden en konden deze zich over een groter gebied verspreiden.[10]

De ideeën van Luther zijn ook verspreid op een dergelijke manier vanuit de universiteit van Wittemberg waar hij theologie doceerde. Naast Luther waren andere hervormers zoals Hus, Zwingli en Calvijn ook allemaal professoren. Hieruit kunnen we opmaken dat de Reformatie is voortgekomen uit (of een verlengde is van) de interne kritiek op de kerk van christelijke Humanisten en verspreid kon worden door de situatie op Noordelijke universiteiten zoals deze onder invloed van het Humanisme zijn ontstaan. Er is sprake van zowel continuïteit als discontinuïteit.[11]

Aanleidingen van de Reformatie zoals de politieke verhoudingen tussen kerk en vorsten, de rijkdom van de kerk, interne kritiek op de kerk en eerste hervormingspogingen vonden al plaats in de middeleeuwen.[12] Maar ook de situatie waardoor de Reformatie plaats kon vinden is gedeeltelijk ontstaan door processen die al in de middeleeuwen begonnen zoals de ontwikkeling van het Humanisme en de daaruit voortgekomen universiteiten en intellectuele houding[13], maar ook de ontwikkeling van de boekdrukkunst vond toen plaats waardoor Bijbelvertalingen en propaganda verspreid konden worden[14]. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de wortels van de Reformatie in de middeleeuwen liggen.

Bronnen

[1] Thurman L. Smith, ‘Luther and the Iserloh Thesis from a Numismatic Perspective’, Sixteenth Century Journal 20:2 (1989) 183-201.
[2] John P. McKay e.a., A History of Western Society (12e druk; Boston 2017) 392-295.
[3] Ibidem, 404-415.
[4]Ibidem, 395-398.
[5] Ibidem, 394, 414.
[6] Ibidem, 362-365.
[7] Paul F. Grendler, ‘The Universities of the Renaissance and Reformation’, Renaissance Quarterly 57:1 (2004) 1-42, aldaar 12-13.
[8] McKay e.a., A History of Western Society, 368-369, 397.
[9] Ibidem, 362-365.
[10] Grendler, ’The Universities of the Renaissance and Reformation’, 3-13, 17-21.
[11] Grendler, ’The Universities of the Renaissance and Reformation’, 3-13, 17-21; McKay e.a., A History of Western Society, 392-395.
[12] McKay e.a., A History of Western Society, 358-387.
[13] Grendler, ’The Universities of the Renaissance and Reformation’.
[14] McKay e.a., A History of Western Society, 369-371.